Torenwacht

We nemen het meest uit een holle hand. We gaan er van
met onze armen op de rug lopen, op zoek naar uitleg
op van die kleine bordjes — museumtempo.

Vergeten naar voorbijgangers te zwaaien. Te vragen
hoe zij de zomers doorkwamen, we briesen
naar het bladmoes wat de straat verstopt.

Binnen is het vaak warmer. Waar twee dingen wonen
waar je nooit naar grijpen zal als ze vallen.
Ten eerste het bestek van iets overgroots

want het vele zeer wat ze open rijten. Zo ook
al het kleins wat in twijfel onder het donker
volmondig over je lippen rolt.

Vouw je hand om hun materie — de vele korrels sorry
waaruit je dagen boetseert tot stapels. Zet ze naast je
en raak elkaar als torens.

TOT DE WIELEN DE OVERKANT RAKEN 

Schrijf nu toch eens verder aan dat verdomde boek.

— yours truly

Het begin van een verrote dag laait op uit het einde van elke vorige verrote dag. Met een ongeëvenaarde traagheid til ik mijn hoofd van het kussen en tuur naar de ranke takken van de eikenboom waarop een wolk kraaien rust. Met hun koppen diep verstopt onder hun vleugels, rusten ze stokstijf tussen de eikels. De kraaien hebben het goed op maandagochtend. De kraaien hebben het goed op elke ochtend. Rechtop als kaarsen op een altaar, hun veren slijpen aan een scherpe winterwind. Het zal wel iets met het botje in hun oor te maken hebben. Zo zichzelf corrigeren als de luchtbel in een waterpas. 

Nog voor ik de kans krijg de wekker uit te drukken, ritst moeder de warmte van onder mijn deken. Alle wol valt in een vlotte golf op de grond. Met grote passen stampt ze richting de keuken. Opgerold als een pasgeboren woelrat wen ik vanuit mijn krappe kinderbed aan het knipperende peertje. Langs het gordijn zie ik vader gebogen over zijn krant, ellebogen gevlekt door het asgrijze papier. Met de grootste voorzichtigheid opent hij enveloppen terwijl hij slurpt aan een mok oploskoffie. De petroleumkachel in het midden van de vloer pruttelt. De dikke lucht gevangen onder de pannen toch het is te koud om een raam op te zetten deze maand. Het dak kreunt tot in haar nok door een inbeukende westenwind. Vader tilt nog een lading brieven op de eettafel vanaf de versleten vloerdelen onder de keukentafel. 

Moeders voetstappen naderen voor de tweede keer. Met haar struisvogeltred. Met haar hoofd zo recht op haar nek, alsof er een ijzeren pen in haar strottenhoofd steekt. Met haar armen, gekortwiekt tegen haar lijf. Met haar ellebogen in de lucht die ze droog en ijl achter zich laat. Schichtig om zich heen kijken, speuren naar denkbeeldige roofdieren. Ik haar enige ei dat ze tien jaar geleden uit haar schoot liet vallen en nu al lang vergeten is warm te houden. Ik vraag me af of ze weet hoe een omhelzing werkt. Dat gebogen armen mensen naar elkaar toe kan brengen. De laatste keer dat ik haar probeerde te omhelzen was als vastklampen aan een strandpaal. Het soort vol pokken, nat en koud als herfstaarde. 

Moeders voetstappen stoppen net voor het gordijn en ze schuift me een tot de rand toe gevulde emmer toe. De spons tikt zachtjes de randen aan. Mijn ogen wennen aan het licht van een enkele zonnestraal die het water breekt. Aarzelend kijk ik over de rand van mijn bed, tijd om een laagje van mezelf af te wassen. Het water lijkt anders vandaag. ‘Wat gebeurt er Arne? Koudwatervrees? Kom op, stel je niet aan. Over tien minuten ben ik terug.’ Moeder beent de keuken in, zuigend aan een sigaret. 

Voor ik kopje onder ga, kijk ik door het raam. Het uitzicht over lege velden, de rijen huizen met haar mensen als speelgoedsoldaatjes. Pogingen er wat van te maken, breekbaar en klaar om uit elkaar te vallen, op en neer met de bus naar de grote stad. In de avond keren ze terug van de fabrieken, elke dag een stukje doorzichtiger. Hier in Brussels laten we onszelf graag ergens achter. 

Aan de overkant van de straat de kruidenierszaak van Suzy en Bill, waar ik snoep koop met de enkele dollarcenten die overblijven nadat ik duivenvoer gekocht heb. Verderop ligt de garage van Deacon – de laatste stop voor het grote niks – de plek waar ik vorige week nog een aangereden hert vond. Brussels kent verder geen verenigingen. Toch wordt in Al’s kroeg het einde van de week en het aanbreken van een nieuwe gevierd. Ook al zijn ze identiek als de eindes van een worst. Tegen sluitingstijd danst zowat iedereen laveloos op tafel en flikkeren de olielampen op hun laatste druppels. In een dorp wars van regels, vlucht de moraal al gauw een vol glas in. Ik denk niet dat vader en moeder dit weten, maar ik ben er al lang achter waarom het de Amerikaanse droom heet, je moet namelijk slapen om er in te geloven. Zij houden liever in tegenovergestelde richting de moed hoog. Vader praat het liefst over zijn duiven en moeder heeft haar sigaretten, beiden ongefilterd. 

 Moeder roept vanachter het aanrecht, waaraan ze broodtrommels vult voor mij en vader. ‘Ben je al begonnen, Arne? Of moet ik die emmer over je kop legen? Zoals ze dat bij de varkens doen. Arseen, zeg jij er ook eens wat van.’ 

Vader kucht wat letters langs de pijp in zijn mondhoek. Zijn gemompel zacht als de pluimpjes tabaksrook boven zijn hoofd. ‘Nou, je hoort het. Je vader denkt er net zo over. Je komt nog te laat voor school, met dat getreuzel van je.’ 

Met een boogje laat ik me uit bed vallen en schuif in mijn knellende pantoffels. De kou slaat me om het lijf als de wind het gordijn opzij duwt. Slaapdronken schuifel ik naar de emmer met in het midden de tot stilstand gekomen spons. Ze is tot op het laatste gaatje versleten. Het water heeft een lichtbruine kleur, ook al pompt vader het elke dag aan de pomp van de buren omhoog. Eerst het gezicht. Altijd eerst het gezicht. Daarna pas de onderkant. Ik spiek de keuken in en zie vader zijn laatste envelop openen, degene met de stempel van de Post. Hij vouwt het briefpapier open als ware het van het fijnste bladgoud, houdt het als een donzige babyduif in zijn vingers. Zijn handen lijken heviger te trillen na elke letter. 

Even lijkt vader zijn tranen in te houden, waarna hij mijn moeder naar zich toe wuift. ‘Francine! Het wordt de overkant! Pak je spullen en roep Arne, we vertrekken direct. Alles is geregeld!’ Hij stoot zijn koffiemok om en stampt alsof er niet gebeurt is door de lauwe prut. 

Moeders ogen lopen over van verlossing. ‘Eindelijk weg uit dit stinkhol.’ zoals ze onze bovenverdieping zo liefkozend noemt. Met een enkele ruk tilt ze haar koffer vanachter de bank, ingepakt en wel. ‘Wanneer vertrekken we?’, het mes waarmee ze brood smeerde nog in haar hand. Hetzelfde mes waarmee ze vorig jaar nog midden op de Hoofdstraat stond te zwaaien. Daarmee de enige straat van het dorp. Iedereen had haar dus gezien, het was uitermate gênant. Stond ze daar bovenop een vuilniscontainer – midden december – verwensingen richting een waterkoude sterrenhemel te schreeuwen. Moeder temt haar demonen op haar eigen manier: ze duwt ze onder in single malt of laat ze uit in scheldtirades. Andere moeders bakken taart. Nu is de dag waar ze zo driftig op hoopte eindelijk aangebroken. 

Ik staar naar mezelf in het scherpe water en voel mezelf losweken uit Brussels. Uit dit huis. Onwetend over de overkant. Ik plaats mijn handen op de rand van de emmer en ga onder, blijf daar en open mijn ogen naar de binnenkant, tel de bubbels die uit mijn neusgaten omhoog borrelen. Uit wat voelt als een andere tijd en ruimte, word ik terug het droge op gesmeten. Ik lig languit op mijn rug op de houten vloer, mijn wangen gevangen als in de kaken van een krab. Moeder pint me vast en briest in mijn gezicht. Een teug lucht spert mijn longen open, die als twee warmwaterkruiken opgeblazen worden. Langzaam, pijnlijk. Er was stilte op de bodem. 

‘Wilde jij hier nog even het loodje leggen misschien? Wat bezielt jou?’ Moeder staat over me heen gebogen, ik vleugellam tussen haar benen. Achter haar haren, dun als vlas, ligt een rij doffe tanden verscholen, resten mueslireep in de gaten. Ze verslapt langzaamaan haar grip. ‘Jij gaat dit niet verpesten voor mij, knoop dat maar in je oren.’ Ze verdwijnt tussen de gordijnhelften, die ze bijna van de reling trekt. In de woonkamer hoor ik haar wat prevelen over de inrichting van onze nieuwe huis. We laten het merendeel van onze spullen namelijk achter. Los van blikvoer, boeken en kleding, is leegte toch het eenvoudigste te verhuizen. Het woont in een mensenhart. De vraag of het zich ooit weer volzuigt, is iets anders. Uit de kast pak ik de de zwarte broek en zwarte trui die klaarliggen voor de verhuisdag. Mijn nette zondagse sokken en zelfs mijn jasje hangt al klaar. Nooit een tweede kans om een eerste indruk te maken. Het is niet zomaar dat een familie door de Post naar de beloofde overkant gestuurd wordt. Zeker niet uit deze streek. 

Ik schrik op als ik een hand voel. De geur van vanilletabak in de afdruk op mijn schouder. ‘Aan de overkant wordt alles anders, jongen. Geloof me. Je moeder vindt het ook spannend. Wij Molenaars zullen de wereld sluiten de wereld aan. Het is onze roeping.’ Ik haal mijn schouders op en sluit mijn koffer. Met de riem strak om het midden, is het praktisch uitgesloten dat mijn postkaarten in het ruim van het vliegtuig zullen rondzwerven. 

Bij het zien van het weinige wat ons samen doet klonten woelt een draaikolk in mijn binnenkant. Gek hoe alles wat er toe doet tot drie middenformaat reiskoffers gereduceerd kan worden, de handen die ze tillen en de daaraan grenzende lijven die ze dragen. Vader wrijft me door mijn krullen en moeder wappert sigarettenlucht bij haar gezicht vandaan met de vergeelde brochure. Het soort met schreeuwerige verkoopletters op de voorkant. 

WELKOM IN WELLENBERGSCHEM 

PAREL VAN WEST-VLAANDEREN 

PROBEER ZEKER EENS ONZE BLOEDWORST 

Aan het zelfvertrouwen zal het niet liggen. Toch, dierenleed promoten in een slagzin, is andere koek. Worst, welteverstaan. Onder de leus prijkt een foto van geheimzinnig lachende mannen en vrouwen met half volle bierglazen in hun hand, fier overeind op een rijtje voor een immense papier-maché praalwagen in de vorm van een machtig grijze postduif. Op tractorbanden, welteverstaan. De verentooi op hun hoofd – wazig op beeld gevangen – wappert in de wind. Achter de groep lachebekken vervagen de eindeloze bloemenperken in de achtergrond. Als waterverf in een van moeders aquarellen. Ik weet niet hoe het gesteld is met de moderne techniek in België, maar dit ruikt naar een knap staaltje fotobewerking. Met alleszins meer kleur dan alle kale velden rond Brussels samen. Vader schraapt zijn keel en slikt wat tranen weg. 

‘Die duif gaat ons redden, jongen. Ik voel het gewoon. Je denkt dat pindakaas en jam het einde is, wacht maar. Vanaf morgen smeren we alleen nog maar chocopasta.’ Vader gebaart naar de trap en met z’n drieën dalen we de krakende treden af. Dwars door het postkantoor van Brussels – de sorteermachine in ruste – stil zijn al haar raderen. Vader graait in de binnenzak van zijn jasje en steekt mij mijn vliegticket toe. 

‘Hier jongen, goed vasthouden. Let er op. En altijd netjes laten zien als iemand er naar vraagt. Je mag het pas wegstoppen als de wielen van het vliegtuig Vlaanderen raken.’ 

Fruitvliegopinie

(geschreven voor de poëziemiddag van 11 juni op Landgoed Grootstal)

’s ochtends snikt een krantenkop
over de bodem in waterkansdons. ze zakt
tot ver onder de horizon

in wat leek een kikkervisseconde, brak de oever
uit haar voegen. we stutten haar rap met fruitvliegopinie
waar zoemende rot in woont

we zijn gewend van een afstand te eten
morsen liever handwarm water en avocado’s
als schrille troost tegen brandzomers

laat het niet zo zijn toch, dat astronauten de droge lucht
van kelders moeten bewaren voor later
wie heeft toch dat later

het vooruit ligt in het scherp
van bladmosterd en mensenhand, ruimte die zacht
bonkt onder onze ribbenkast

de buurman stopt niet naast je
alles is ook de ander, gewoonweg in een korrel
onder het witte maantje van je nagel

Dit gaat niet over met een storm

De laatste sneeuw van het jaar tikt zilver
munten op het mos van een laat bevroren pad. Glans
(en ook haar waarde) te koud om op te rapen.

Onder een laken zwart en twijfelend met licht
stik ik de grote boze wolf. Middenin in wat leek
een bos volgt een streling langs mijn

verder doodgeboren arm – de spelden
met de scherpe kant omhoog. ‘Liefste,
dit gaat niet over met een storm.’

Ze neemt ze weg en zegt me, ga
slaap nog maar een uur of wat
en stik nietjes in de nacht.

Appelhart

er is plaats onder haar golven
een rust achter de bast.
zondagsogen, glim als knikkers
haar kern een mespunt zon.

zuiver suiker voor de regens
Druppelt uren in de dag.
een mond fris als een waslijn
tussen oren droogt haar lach.

haar licht buigt voor en alle tegens
snippers prisma kerft mijn hand.
mijn tere keert in warmte
naar haar zachte appelhart.

winterweifel

Ze blaast haar wangen bol tot rood
en draagt water in haar wegen.

Even vergeet ze de scherpte op ons voorhoofd
splijt onze vingers tot in twintig.

Het gras grijpt zich vast aan een treinspoor ver weg
en wuift de zee zich tot zomer

zing het een lied
steek je tenen toch al eens onder.

Een bloesem verstikt in haar grillen en laat
zich haar de keel niet snoeren.

Zo gaat het met buiten, je geeft haar een vinger
ze neemt je de hele voet.

in de categorie overig: 

Je verzamelt afslagen naar viaductfeesten en URL’s met recepten 
voor wanneer we naar buiten mogen. 
Verstopt ze onder je nagels. 

Heel voorzichtig – vezel voor vezel – valt onze kroon af. Ze is groen en 
vol mos en heeft tijd gehad zich vast te bijten. 
Mos heeft ook pootjes 

om zichzelf vast te grijpen. Toch, wat heb je aan pootjes 
als je niet lopen kunt. Kijk ons krabben 
aan de binnenkant van onze ogen. 

Oogklep als bladmoes waaraan je nerf noch twijg herkent. We zijn bijna 
onszelf. De kunst een strip woorden uit te drukken en tot een zin 
te slikken zit ver weg. Voorzichtig, 

we zijn lichtwenners. Eet veel groen om dit weer tot een rode binnenkant 
te maken. Iets met het ijzer. Een mens lijdt nou eenmaal aan chronische 
chlorofyllie: een verlangen naar de rand van groen of de rand van een ander 

die verlangt naar de rand van groen. Nippen aan een oog wat zorgt voor 
nog meer kleine groene ogen na een maand of negen. Want zeg nou zelf, 
wie wil nou wél tot de categorie overig behoren? 

Lauwe zomeravonden vol glasgras liggen op ijs en we vinden 
nog maar net de afslag naar elkaar terug. Daar was je gebleven. 
Ik geloof dat ik je dag heb. 

Er komt niemand koffie opgieten

Het bruin wordt langzaam groen en één enkele knop 
schiet uit tot een trots Vlaams landschap. 

Het dapperste grijs opgetrokken uit wolken van sorry-schuddende 
asbest en waarheden als koningen. 

Wat kon het asbest eraan doen. 
We wilden bovenal een onderdak. 

Voor mijn deur wordt een wilg achtergelaten. Lastig tot zijn kern 
te hakken, toch wapperend met zijn dunne armen. 

Hij was een pilaar om tegenaan te kruipen. Ergens 
in de straat werkt iemand aan een uitbreiding van zijn huis. 

Het was er de tijd voor. 
Een mens moet ruimte maken. 

‘Elke leeftijd is een prima leeftijd 
om ergens mee te stoppen’, vond een dokter. 

Nu dan 
ik open de gordijnen. 

Vaal zonnegeel

Met mijn duimnagel til ik glimlachen uit rijpe mandarijnen 
en leg ze in sikkels voor mijn voeten. Oneens 
over welke kant ze op horen te wijzen. 

Het heeft iets te maken met hun sensoren. Soms 
zit je ergens zo lang stil dat enkel schillen 
je nog aan het lachen maken. 

Wacht ook eens in een buurtsuper tot de lampen doven. 

Schuilend voor twee soorten soortgenoten: De ene 
die me aanraakt als ik uit elkaar val en dan het soort 
dat mij uit elkaar laat vallen als ze me aanraken. 

Verwacht van de broodafdeling niet het antwoord 
als ze de hele nacht op hun benen stonden. Het vlees 
scheurt los in meer dan woorden. 

Deel vooral jezelf zorgvuldig in. 

Meer dan de weg naar huis zoek je best 
naar de reden waarom je stiekem een strip pillen 
uitdrukt in je broekzak en wankel het zonnegeel in fietst. 

Elke groep kent altijd iemand zonder accent. Rustig, 
niemand weet precies waar geluid klinkt 
als het eenmaal je oor inslaat. 

Dat is niet zo mijn scheiding

Ze wonen tegenwoordig samen naast 
herinneringen aan water. 

Aan een oever rust sinaasappelpulp, op de bodem van geribbelde flesjes. De randen 
van korte benen en waterschoenen willen een hand als lange benen sprinten 
want een winkel sluit binnen wat minuten.

We zijn op een plek waar geluid elkaar opeet. Woorden lopen door 
zonder oren en onze natte ogen plakken tegen stijf gras in onze achtertuin. 
Er stond een schommel ook. 

Duw me een laatste keer omhoog. 

Ik ben in het allerbinnenste van de grot en durf niet uit te ademen. Ze stromen 
met hetzelfde water maar zijn blind voor elkaars kolken. Zat er altijd al 
zoveel zout op de wanden? 

Jongen, stop nooit meer dan één artikel in een jaszak. Je verliest nog iets 
als je naar beneden kijkt. Er kroop altijd wel iets zijwaarts in mijn hoofd 
maar lopen deed het niet. Jij bent nog te jong om te klagen. 

Als alles spant kom ik ze weer tegen. 

We beginnen ergens op ze te lijken maar bedekken snel onze enkels 
in de delta. Steek toch eens wat op 
van deze mensen. 

Kam hun scheiding goed en vraag ze hun kapsels nog wassen. Het was klein 
huishoudelijk leed. Vrees niet een huis met kurken onderzetters te zijn. Pas op 
voor kringen waarin je niet thuishoort. 

Zet een tent op in herinneringen aan water 
en vertrek voordat het nacht wordt. 

De Dijk

Volgend kort verhaal schreef ik tijdens mijn opleiding aan de Schrijversacademie.

Komt ‘ie!

—-


De Dijk

Met mijn ogen richting de maan wring ik de laatste meters uit mijn benen. In mijn keel prikt de smaak van metaal en mijn wil lijkt los te bewegen van mijn ledematen. Het lantaarnlicht weerkaatst op het natte asfalt en ik weet dat ik nog veel verder kan, twijfel of deze late avond daar het moment is voor. 

Ik schrik en verslik me in het poeltje spuug onder mijn tong. In het licht van de volle maan tekenen zich twee figuren af in de berm. Ze prikken met lange stokken in het hoge gras, de groene strepen op hun zwarte mouwen duidelijk herkenbaar. Wolken warme lucht ontsnappen me en ik schroef mijn tempo terug tot een drafje. Maak mezelf klein achter de bumper van een van de twee zwarte busjes. Iedereen kent de verhalen van de controles op de late avond. Het groen-zwarte lint wappert gespannen tussen de autospiegels. Tegen de richting in gaan is uitgesloten. Achter de busjes klinkt het gekras van dik plastic op het asfalt. Een doffe klap. Iets trekt me dichterbij en ik voel een ijskoude tinteling vanuit mijn nekwervels mijn schedelhelften aaien. 

‘Blijf waar je bent jongen!’ De stem van agent van Zeelt. ‘Wat doe jij hier eigenlijk rond deze tijd?’ 

Het hele dorp houdt zijn adem in. 

‘Ik was een rondje hardlopen en ik ben de tijd vergeten.’ Het gras nat van verwachting wappert in de wind. Van Zeelt verschijnt in de schemering van een lantaarnpaal. Ik aarzel en doorbreek de stilte. ‘Zal ik moeder de groeten doen?’ 

Van Zeelt knikt kort. Zijn lach gesloten en van oor tot oor. ‘Je weet dat je hier niet hoort te zijn, toch?’ Ik bekijk de neuzen van mijn hardloopschoenen, knik en draai me om met de priemende blikken van de agenten in mijn rug. 

Ik vang nog net ‘Precies z’n vader’ op. 

Onder de douche schrob ik mijn lijf zo hard als ik kan. De koude kraan volledig open. De zuurstof verdampt uit m’n longen. Zo moet een vis op het droge zich voelen. Met een knalrode huid stap ik mijn pyjama in. 

In de woonkamer plof ik op de bank en knip de TV aan. Een druppel bloed valt op mijn schouder en ik grijp naar mijn natte oor. Mijn laatste bloedoor herinner ik me als de dag van gisteren. Vader droeg die zwarte jas waarin hij voor het laatst gezien is. 

‘Zeg Menno, waarom geef jij mij geen antwoord als ik wat vraag? Ik roep je al drie keer.’ Moeder staat met een volle wasmand onder haar arm in het midden van de woonkamer. 

Slurpend aan het schuim op de rand van het blikje bier houd ik mijn ogen gericht op het televisiescherm, neem een grotere slok dan ik gewend ben. ‘Weer een bloedend oor zie ik? Doe je wat schoons aan voor je slapen gaat?’ De nieuwslezer spreekt over de ergste uitbraak sinds tijden. 

Er zullen meer dorpen volgen. 

Moeders stem ebt weg in de achtergrond. Langzaam zak ik in een diepe slaap en lijk samen te smelten met de bank.

Ik schrik wakker in een donkere kamer. De wilgen krassen met hun lange tenen tegen het raam. Vermoeid door het huilen van de wind keer ik me om, merk dat ik niet meer in de stoel lig. De geur van dood water hangt in de lucht en dwingt me haar bron te zoeken. Langzaam laat ik mijn voeten in mijn pantoffels zakken en schuifel over de vale vloerbedekking de gang op. Uitgezonderd van wat strepen maanlicht, is het aardedonker in huis. Het gangpad voelt kouder dan normaal. Op het ritme van een kalm pompend hart stroomt er zacht licht vanonder de badkamerdeur. Ik kan niet anders dan er heen gaan, iets in me voelt vaders aanwezigheid. De vloer kraakt op plekken waar ze dat eerder niet deed. Mijn sloffen bewegen stroef, de vloer lijkt te plakken. Een hard zoemen zwelt aan als ik moeders kamer passeer. Haar kamer is leeg. 

Er schittert iets voor de badkamerdeur, gehurkt en blind reik ik ernaar. Een ijskoud stuk schub ter grootte van een handschoen plakt aan mijn rechterhand. Ik veeg het slijm aan mijn mouw. Het zoemen in de badkamer lijkt een hoogtepunt te bereiken. De streep licht onder de deur verblindt me. Aarzelend omklem ik de ijskoude klink, val en struikel over glasachtige halve bollen. Het licht dooft als ik langgerekt op de koude badkamervloer lig. Ik kijk tegen de zijkant van de badkuip aan. 

Een donkere gedaante briest diep condens boven de rand van het bad uit. Wat het ook is, het is bedekt met onze dekens en lijkt te slapen. De geur van rotte vis hangt dik tegen de tegels aan. Het beeld van zacht vlees in ontbinding dwingt zich aan vanuit een herinnering. Op mijn hurken en met mijn ogen op spleetjes herken ik een vin in de contour die over de rand hangt. Ze heeft het formaat van een onderarm. Met een wijsvinger raak ik het aan, waarna het zich met een glibberende beweging terugtrekt. Intens koud deins ik achteruit en val met mijn hoofd tegen de toiletpot aan. De kamer rolt om. Gestrekt op de koude tegels verdwijn ik in een geluidloze draaikolk. 

Het geluid van de toaster maakt me wakker. ‘Godver, niet weer, dat is nu al de derde keer deze week. Hey slaapkop, had je niet kunnen opletten?’ ’ 

Met de nacht nog in mijn botten kijk ik moeder versuft aan. Ze schraapt het zwart van het brood af en bekijkt mijn onderuitgezakte lijf. Er prikt een leeg bierblikje in mijn onderrug. 

‘Heb jij de hele nacht op die bank geslapen? Je had de TV wel uit kunnen zetten. Stroom is nog steeds niet gratis.’ 

Ik onderdruk een frons, twijfel of ze gelijk heeft. ‘Ik lag gewoon in bed. Was jij niet een rondje wandelen?’ Moeder kijkt me met opgetrokken wenkbrauwen aan en kauwt verder op haar geredde toast bekleed met kaas. 

‘Ik zeg het je jongen, je begint steeds meer op je vader te lijken. Hoe meer hij dronk, hoe meer hij ging zien.’ Ze kantelt een onzichtbaar glas leeg in haar mond. 

Mijn handen ballen zich tot vuisten. Het slijm op de mouw van mijn pyjama. Ik grijp naar mijn linker mouw, schoon alsof deze net uit de was komt. Ik wend haar blik af en blaas door mijn neus. ‘Morgen is het tien jaar geleden dat hij verdween. Het lijkt me goed om iets te doen om hem te eren. ’ 

Moeder verslikt zich in een slok koffie. ‘Het enige wat wij samen doen zoon, is het verkopen van die rotte vis in die rotte zaak van die oom van je. Niet meer, niet minder.’ 

Het kan haast niet anders. Ze was vannacht niet in haar kamer, toch? 

‘Dus tenzij je iets zinnigs te zeggen hebt, zou ik graag zo vertrekken naar werk. Oké? Ik zie je over vijf minuten op de fiets.’ 

Vechtend tegen de tegenwind passeren we de laatste bocht richting de viswinkel. Een glinstering in de kant trekt mijn aandacht. Als ik afrem begint moeder te vloeken. 

‘Je bekijkt het maar. Ik zie je daar wel.’ en ze verdwijnt de bocht om. 

Het zweet prikt in mijn oksels als ik mijn fiets in het hoge gras los laat. Ik buk en zak op mijn rechterknie. Een herkenbare tinteling raast over mijn schedelpan. Ik pak het op. De glinsterende vorm rust in de palm van mijn hand, slijm zakt tussen mijn vingers. Het zonlicht weerkaatst op de schub en ik wend mijn blik naar de blauwe lucht, op zoek naar een teken. Aan de horizon dezelfde zwarte busjes. 

Wees een perenschil

Het belooft een leven als een achtbaan. Terwijl
hij omhoog keek vanuit de rij
om kaartjes te kopen.

De eerste maandag in december smaakt naar
zachte kiwi’s die met hun rechterzijde
verraden in welke schaal ze lagen.

Let ook niet op flinterdun maanlicht wat zakt
uit je televisiescherm. Alles valt harder
zolang je het blijft vangen.

Scherp je liever aan een vertaling van ‘leven’
een woord uit een verre taal wat samenvat.
Neem daar iets blijvends van.

Spoor iemand aan dit ook te doen bij die lokale artiest
die ook kersen achter je oor beet.

Nu zijn jullie samengevat in twee woorden.
Het is zo erg nog niet, want sommige mensen
zijn als perenschillen, los ook erg goed te verteren.

Gelezen: november 2222

Morgen verzamelt het grof vuil al onze secondewijzers.
Er wordt niet langer gemeten in minuten om uit te beelden
hoe een stad zo snel kan ontbinden.

Gisteren bleek dat ook de minst getroffen streken,
schakelaars slijten op de zwarte markt.
In de hoop, hoop terug te krijgen.

In het midden van de kamer ligt een dood hoopje
apparaten. Toetsen en draden verbonden – van hun plastic lijf ontdaan.

Groene schermen glimmen onder stadslicht. Nog maar een paar uur
tot het donker. Vonken van machines ratelen
om tot één nieuw bericht te komen.

Een verre afstammeling knippert, typt diep bedroefd symbolen
op zijn zwevend toetsenbord.

Gezocht:
Ronde lichaamsbouw.
Diep blauwe huidskleur.
Donkerbruin haar met
seizoensgebonden gele accenten.

We hadden haar in tijden niet meer gezien.
Het spijt ons.

Of we de posters willen printen
of we onze voeten durven optillen.
Om haar daar simpelweg te vinden.

Vandaag heb ik aan je rand geproefd

Ik heb aan je rand geproefd. Zo protserig
open stond je, met smaak
van vaal oranje bladmoes.

Een getijde op een kiepstand.
Hellend en verdorven
met een lege kinderhand.

De grond verkrampt tot kolen.
Briket als rib gestrekt. Toont haar wikken
in ’s lands gewelven.

Ze strelen resten van water met ambities
om bladveder te worden.
Zichzelf te villen voor later.

Wil je niet liever op de tocht staan vandaag,
zodat je van kurk kan worden, kind?
Toe wacht nog een jaartje met al dat etaleren.

Je lijkt uit zaailing gehouwen.
Er komt wel weer een hellen.
Volgend jaar ligt verstopt in kantel.

Plankenkoorts

De planken dragen een man
die zijn haren kamt
voor het slapengaan.

Stel, de inzameling begint
middenin de nacht.

Schoon. Ze zullen hem
net hebben.

Twee kommetjes
met het natste zout
vloedend in zijn handen.

Waaieren, gietend
over de eerste rij met regenscherm.

De man begint
daarmee
einde.

Na afloop lacht iedereen
de man uit vanaf hun stoel.

‘Is het oké om nu te gaan.’
‘Nee pas bij de afloop. ‘

Ze wachten netjes
tot ver na afloop.

Iedereen zit nog.

Winterochtend

Het zonneglas snijdt elke ochtend vroeg
het vlekt rood glorend onder onze zolen

Dampende gaten melden aanwezig stil loeiende koeien
als tanks opdoemen op donkere velden

Het was hier anders toen krakende fietswielen
tot stokslagen konden uitbollen

Aan ons een dans te ontspringen
maar we weten niet meer hoe vluchten rent

Hoe voelt verstoppen zonder buut
als nergens in een veilig woelt?

Broekzakzand

Ben van hier
Of d’n overkant
Bewoon zilte bodem
Laag in Nederland

Trots boven water
Breken dijken krakend
Moed houdt stand
Overeind onder daken

Liefde voor de stranden
In ‘n half woord begrepen
Zorg aandacht mensenwerk
Staan op verdiende strepen

Schitterend met zout
Soms grof van korrel
Neem me wel serieus
Als slok op ‘n borrel

‘T zit in m’n broekzak
Gekoesterd bij vertrek
Herken je in de korrels
Op meer dan één plek

Afkomst

Meng zilt duinzand
vogeltrek
met miezer

Honing in distel
prikkel
en kiezel

Loop om de koffie
schep bodem
tot gruis

Drink aangelengd met lepels
anders tot
een thuis

Kookkeerpunt

Mijn golf kookt niet meer in een keren
Het tij kijkt jouw oog stug toe forceer vlug
tot aan de waterrand

Ik keer koprollend op elf februari
de waterdruppels zijn spaarzaam
en smelten zo een kribbe in

Het chloor prikt in kookpunten
Stoom wolkt schoorstenen
tot ver boven mijn oren

Wees droog vandaag een kind vandaag
We hebben al te veel vocht verloren
Toch kabbel ik door

Interview Meander

Annet Zaagsma interviewde mij voor Meander Magazine. Lees het stuk hier terug.

“Poëzie is er naar mijn mening vooral om geschreven en gelezen te worden, en niet om te lang bij stil te staan”

Bonsaiboomkijktijd

Onlangs schafte ik een boom aan. Het soort wat je dwingt 
klein te blijven zonder dat het rebelleert. Het houdt 
geen dagboek bij over baas in eigen bast zijn of over 
de mogelijkheid zijn bladranden te slijpen 

zodat ik mijn vingers eraan zou snijden. Er zit een zekere traagheid 
in zijn reikwijdte en ik speur hard naar metaforen over 
kostbaar klein leven maar verval in clichés geput uit Wikipedia- 
gegevens over vruchtbare gronden en mestkevers. 

Naast de boom zou ik een Instagram-account onderhouden. 
Omdat zijn groei zich slechts traag laat registreren 
zou ik over een jaar of drie pas weer een waardige post 
met jullie kunnen delen. Daarvan kreeg ik het benauwd 

wat nou als Instagram stopt met bestaan over een jaar 
of drie. Wat dan met al mijn content en wat dan met de boom
in het algemeen. Overleefd hij het wel tot die tijd anders
sta ik mooi voor paal en heb ik al mijn trouwe volgers 

hun bonsaiboomkijktijd vergald. Aldus geschiedde 
geen eigen kanaal wel een update vanuit de boom:
‘Het gaat goed met me.’ Mijmerend aan zijn wortelvoet 
schreef ik een gedicht voor hem het gaat als volgt: 

Larix kaempferi 
leef
langer 
kort 

Driepuntsgordel

In een verwoede poging wat tastbaar te maken start ik een grondige zoektocht naar de perfecte all-in-one printer. Na een halve dag zoeken besef ik dat een mensenleven rijker is door unboxing video’s van Sjors75. Ook dat 34,5 ster voor de bekroonde koploper op het gebied van NFC-printen een goede richtlijn is. Stuk voor stuk puik gewicht in de schaal, als je weet waar je naar op zoek bent. Anders voelt het maar verwarrend als pepernoten strooien in december. Ik staak de zoektocht en ga op zoek naar 3D-contact.

Bij het naar buiten lopen zie ik de buurvrouw driftig boodschappentassen uit haar Panda tillen. Het zijn het soort waar ik zo van houd. Stevige linnen met lange hengsels waaruit grote pluimen wortelgroen hangen. Een XL-zak aardappelchips tekent zich af in mijn oorschelp. Zijn verre neef met iets meer kruiden, ligt half aangebroken in ons keukenkastje. Beschaamd veeg ik met de buitenkant van mijn mouw wat paprikapoeder uit mijn mondhoek. De tijd knettert harder met tegenstrijdigheden. Het is ten slotte al half 11 ‘s ochtends. 

‘Hey buurvrouw, je gordel zit nog tussen de deur.’

Ik denk aan die keer dat ik als tienjarige jongen mijn moeder in de haast het hoofd van mijn broertje tussen het portier zag verstoppen. Ze klemde twee rode sleutels met anti kerntrek-functie in haar mond en had ze van schrik bijna ingeslikt. Ze wilde vast haar eigen mond dicht draaien. Gelukkig trok mijn moeder hem tegen haar warmte aan en was het na tien minuten weer over. Er was nergens bloed maar tijdens de middagpauze had ik hem mijn helft van de chocoladereep gegeven.

‘Oké, dank je wel!’ 

bromt ze achter een toefje loof vandaan, en trekt met een ruk en zonder kijken het portier opnieuw achter zich dicht. Ik verdwaal nog even in het woud van dennenboompjes rond de achteruitkijkspiegel. 

‘Wist je trouwens dat de uitvinder van de driepuntsgordel, Nils Bohlin, een jaar werkte aan deze uitvinding? Tot die tijd maakte hij schietstoelen. Stel je voor dat hij ze combineerde en in deze Panda stopte.’ 

Buurvrouw kijkt me glazig aan en sjouwt drie grote tassen de oprit op. Ik had me nog zo voorgenomen mijn enthousiasme voor onzinnige weetjes in te perken. Ik wil langer dan vandaag semi-transparant in deze straat vertoeven. Om zo in een driepuntsgordel van wortelloof, XL-zakken chips en een all-in-one printer even vast te hangen in de schietstoel van de tijd. 

Hopende dat mijn gordel er losjes bijhangt, als het tijd is uit te stappen. 

Op straat: dansen om het karkas

Mezelf van bureau naar keukentafel en terug sjouwen maakt de lucht stijf en dwingt me iedere dag op dezelfde tijd naar buiten voor een rondje door het dorp. Verderop speelt de buurman een potje stoepranden met zichzelf. Hij gooit de bal, de rand geeft antwoord. Een eenvoudig spel wat er voor zorgt dat hij de nare gedachten richting zijn thuisblijvende kinderen op tijd uitroeit. In het naderen is het hem al vier keer gelukt. Achter hem in de betegelde voortuin omklemt zijn vrouw een bak gemberthee. Ze heeft haar laptop op schoot en de headset op.

‘Kun jij de targets van Q4 nog in het slide deck stoppen? Ik heb het idee dat deze het board echt over de edge zullen helpen.’

Een jaar geleden was dit een volstrekt futuristisch beeld. Nu vraag ik me alleen maar af hoe de rand van Q4 er uit zal zien voor de buurvrouw en of het samenvalt met het stippen zetten van buurman.

‘En buurman, al gek geworden daar binnen?’

Ik haal vragend mijn schouders op, en roep zijn bewegende lippen een halt toe. Ik plug mijn interesse in op nummer 7, pauzeer de podcast over een ecologische aanvliegroute voor corona en de wereldeconomie. De buurman herhaalt zijn vraag.
‘Ach, binnen de muren van ons huis is het goed vertoeven. Het is in het schedelpannetje dat het wel eens nauw wil worden.’
Ik tik twee keer kort met mijn wijsvinger tegen mijn slaap aan.

‘Helemaal juist wat je daar zegt.’

Ik blijf op gepaste afstand, want de buurt volgt met microscopische lenzen en microfoontjes elk gesprek. Na het mondiaal op de pauzeknop rammen is me duidelijk geworden dat we terugvallen tot de essentie. Interesse tonen in elkaars holen en de manier we ons daar in en rond bewegen.
Buurman trapt uit kolere de bal met een mokerslag tegen de stoeprand, waarna deze tegen de stoelrand van de buurvrouw op knalt. Thee gutst over de rand van haar #girlboss-mok, zij slaakt een gil maar haar hand lijkt ongedeerd. Hij schrikt van zijn doen, maar buurvrouw zoekt geen toenadering. Ze sprint naar binnen, en knalt de deur achter zich dicht.

‘Gelukkig heb ik de sleutel bij.’

Buurman zucht zich een weg richting een gesprek. Ik trek m’n wenkbrauwen op met holle handen, mijn schedel open voor zijn relaas.
‘Kijk buurman moet je horen. Je weet dat ik m’n brood verdien als documentaire fotograaf, niet? Ik heb al weken geen plaat gemaakt. Ik kan nergens heen. Hier en daar een klus voor het lokale suffertje is geen walhalla, geloof me. Maar het betaald wel de rekeningen. Snap je? Ik word letterlijk gek hier binnen.’
Ik knik, zet een stap in zijn richting.

‘Buurman moet je horen. We dansen allemaal om de karkassen heen. De kop en staart zitten er allemaal nog aan, alleen beweegt het al lang niet meer. Dus trek maar goeie dansschoenen aan. Al eens aan een podcast gedacht? Die schijnen het goed te doen nu.’

Hij kijkt me glazig aan en mist een terugkaatsende bal. Een bloedneus vlekt het leer rood. Geraakt door het karkas, want het wil nog bloeden, ook al begint de temperatuur stevig te dalen.

‘Ik zou de buurvrouw maar even naar die neus laten kijken. Goed, ik ga maar eens op huis aan. Een potje tafelranden met mezelf afmaken.’

Zeef van de Maand

Mijn gedicht ‘Waarde van vingertoppen’ is gekozen voor de Zeef van de Maand, voor Het Gezeefde Gedicht.

Waarde van vingertoppen

Wat zeg je tegen alle kinderen van alle
kinderen als ze zonder handen
geboren worden zeg je dan dat wij

elkaar op den duur minder tot niet
meer aaien mochten, dus lieten we ons de vingers
afdraaien in stilte.

Aan de hand van een foto uitbeelden dat het ons
minder scheelde dat we enkel zo
in leven bleven. Zal het

ze uitleggen dat we de tengels weer
verlengden onder stolpen lang nadat we toch al
gestopt waren. Met vuisten

op tafel slaan. Ze zullen zeggen:
leuk opa, zullen we een spel spelen.
Ik tel tot twee hier met mijn stompen.

Bladeren naar de V daar niks aan getroffen
in vingers. We schuwen geen mens wel
waarde van vingertoppen.

Meander Magazine

Drie van mijn gedichten werden geplaatst op Meander Magazine.

‘Dichter Gaël van Heijst toont zijn taalvaardigheid voortdurend. Was er een wedstrijd voor de mooiste zin uit alle inzendingen van 2020 dan won zijn “achter een voordeur valt iemand in het slot” met glans. Zijn buitelende teksten schreeuwen om voorgedragen te worden, misschien staat u wel naast uw stoel en roept “we begrijpen wat u beweegt”.’

Bron:
https://meandermagazine.nl/2021/01/gael-van-heijst/

AMAI award

Mijn gedicht ‘Stof’ staat in de longlist van de AMAI-award (ALLE MONDEN AWARD INSTAGRAM 2021)

Iedereen kan op dit gedicht stemmen.

  1. Ga naar http://www.amaiaward.nl/stemmen/
  2. Kies gedicht #27 van @gaelvanheijst
  3. Vul het formulier verder in
  4. Laat weten dat je gestemd hebt, en maak kans op een verrassing!

Beste originele gedicht

Een winnend gedicht! Het gedicht Buurtonderzoek: wat hangt ons boven het hoofd won de eerste prijs in de categorie Beste originele gedicht op Schrijverspodium.

“De beoordeling van al die prachtige creativiteit is natuurlijk een subjectieve maar toch geen gemakkelijke, want welk gedicht is nu het beste originele gedicht? De keuze is uiteindelijk gevallen op het intrigerende Buurtonderzoek: wat hangt ons boven het hoofd dat qua vorm en stijl een heel creatief gedicht is met meer verdieping dan de eerste lezing misschien doet vermoeden. Aan de prijs is een geldbedrag van €50,- verbonden. Van harte gefeliciteerd! (De naam van de auteur wordt bij de einduitslag bekend gemaakt.) – Erik Lange, 16-11-2020″

In de prijzen: Schrijverspodium

Afgelopen december won ik de 15e editie van het Schrijverspodium. Daarmee won ik een traject voor het uitgeven van een eigen bundel! Deze komt in 2021 uit.


Schrijverspodium schreef het volgende:
“…van de poëzie van Gaël van Heijst is in het democratische deel het licht humoristische Gazon nog redelijk hoog geëindigd maar zijn overige gedichten niet zo. En dat is jammer want er valt een hoop te ontdekken en te genieten in zijn werk. Zijn poëzie loopt over van het creatieve taalgebruik en de originele inhoudelijke en stijlmatige vondsten. Zoals in Buurtonderzoek: wat hangt ons boven het hoofd (dat in deze editie al met een prijs voor het beste originele gedicht werd bekroond), Stukjes van mensen en het prachtige Een achterbank – Deel 1.
Van deze drie dichters is in samenwerking met Linda Holla van Kirjaboek Gaël van Heijst tot winnaar van het redactionele deel van deze 15e editie van de Schrijverspodiumprijs verkozen! Hij wint daarmee dus een eigenboekpublicatie. Van harte gefeliciteerd, Gaël.”
De volledige uitslag lees je hier: https://schrijverspodium.nl/juryrapport-15e-editie

Voordragen

oplettende letterslingers
de klanken willen in formatie
loslippig trillen papieren praatpapillen

wijzen naar de gapende oor-uitleners of
stoelrand-hangende-glaasjes-nippende-fluisterende klagers

omdat dit heus geen keus was en vroeg
of later baadt het niet
bestaat het meer in een minderte
dit start ver buiten jullie lijven

minder het geluid van mijn stem trok mijn kapsel
fans of omdat je simpelweg een avondje
aan ‘t vergeten bent

dichterlijke vrijheid rijm zo woorden gespreid
liters gelijmde vlijt met ogenschijnlijk wat
bescheidenheid

oost west achter tussendoor woorden
dragen die alleen ík het allerliefste hoor

sta in mijn vlees en water
op wat later dit podium bleek te zijn

kijk mensen zonder janken genageld
hier zo op de latten
jullie strekkende aantallen
wapperen met gebaren langs flanken

nagels tikken mijn tijd is om
presenteer de waaiers en maak
klanken waarmee wij elkaar nu heel
hard zouden kunnen bedanken

het publiek klapt de oren doven
iedereen blijkt weer thuis

Euromuntjes sparen

Vooraf blazen we sorry voor ons plat zijn,
het is om praktische redenen.
Mevrouw verstaat u mij, u mag
uw plaatje naar mij toe keren.

Helaas,
in de massa van onze multomap,
zijn de gleuven al lang vergeven.

Volgende alsjeblieft.

Op de zijkant stapelt beter.
We bestaan uit dezelfde materie,
dat is toch ook een taal?

Kruidenierszaaktransactie

Aan het eind van een korte
kruidenierszaaktransactie,

klept de verkoopster zo vriendelijk,
was dat alles? Mijn reactie:

vlijtig wijd ik uit over
de mensen in de soorten en de

maten waarin ze komen, wat als
nou zo, of nog een tweede oerknal?

Een rij over de stoeprand zichtbaar
aankomend trammelant, sluit zij

de transactie met: meneer, morgen koopt u
maar ergens anders uw krant.