Eerlijke verzamelaar

Ik heb me ooit laten vertellen dat je als postzegelverzamelaar geboren moet worden. Als ik na het naar buiten gaan nog eens terug mag komen, word ik filatelist.

Ik bewaar klein stukje buitenshuis in lades van onze kasten. Ze puilen uit tegen de tijd dat je dit ontvangt, zo snel gaan we. Kleine rechthoekige vlakjes met gekartelde randjes, vertrokken in uithoeken van allerlei landen. Onuitspreekbare namen troosten andere onuitspreekbare namen.

Een eerlijke verzamelaar ben ik, nooit word ik als oplichter bestempeld. Stuur altijd een brief terug. Enorm veel letters zouden mijn kant op komen. Ontelbare keren het alfabet rond. Voorzichtig stoom ik alle postzegels er af.

Hoe is het bij jullie? Wat mogen jullie allemaal tegenwoordig? Handgeschreven, aaneengeregen wijde wegen.
We krijgen de nieuwe landkaart waar je anders moet bewegen. Ik reis met jullie de wereld over via waardedocumenten. Miniatuur kunst in een eigen uniekheid. De lade geopend, meerdere dikke enveloppen keer ik om op de eettafel.

Elke avond leg ik ze op een lange rij, volg de randen met m’n vingers. Weemoedig oude ziel, mijmerend terugdenken aan vervlogen plekken. Plekken waar hopelijk zelfde verzamelaars dezelfde rituelen koesteren.

Met je ogen gesloten kom je overal, en een heel klein stukje dichter bij elkaar.

Het knaagt – Deel 1

Het is warm buiten, we houden onze huizen overdag potdicht. Binnensdeurs zindert het. Zengende hitte zwelt aan, m’n slapen kloppen en zweet gutst langs m’n rug. Bij het typen plakken m’n onderarmen aan de houten keukentafel. De plek waar je mij na vijftien weken dienst al kunt uittekenen tussen negen (oké, half tien) en vijf.

Boven mijn hoofd een zwerm groene glimmende vliegen. Ze zoemen, maar ik hoor ze alleen als de accu van m’n koptelefoon leeg is. Ik ben de enige in de kamer, en hoor ze eigenlijk niet. Zoemen de vliegen dan ook echt? Zo’n gevalletje,’is de boom gevallen, als er niemand in de buurt was?’ maar dat is van een hele andere orde.

Eerder deze week moesten we helaas een overlijden melden. De keukenrat is van ons heen gegaan, en heeft een vaarwel gevonden, in een hoekje onder ons keukenblok. Hij is eenzaam en alleen koud geworden, op een plekje waar we net niet bij kunnen. We hadden hem zo graag opgeschept, en een vredige dienst gegeven. Ik had het juiste lettertype voor de liturgie gevonden. Gisteren alle ingrediënten voor cakebeslag in huis gehaald. Familie was niet te bereiken. Maar geloof me, die zaten volgens mij goed in de rats.

Vorige week wilde ik de rat met diervriendelijke middelen vangen. Een fuik bijvoorbeeld, om hem daarna in de uiterwaarden weer los te laten. Zodat hij daarna met zijn rattennavigatie weer vrolijk kon terug tippelen. Of hem goed toespreken, en de deur openlaten in de nacht. Hopen dat hij uit een soort schaamte netjes z’n knapzakje pakt, en stilletjes de deur sluit. Niets van dit alles leek te werken.

Ik kocht het meest agressieve gif, precies zijn smaak. Ik legde het op de plek waar hij eerder aan onze iets kruimige aardappelen met blanke (witte?) schil begon te snoepen. En man, wat vond ‘ie het lekker. De verpakking beloofde dat de rat zou verteren na meerdere doses tot zich te hebben genomen.

Onze keuken riekt naar een zomerse namiddag in een abattoir. Waar ook nog eens de koeling van is uitgevallen. De lucht zo dik, dat ik er met één arm tegenaan kan leunen. Oké, ietwat overdreven, maar ze staan niet te drammen om dit luchtje in de winkels te krijgen.

Ergens treft niemand blaam. De rat liet zich niet zien, beschermde met huid en haar wat ‘ie had. Niemand zou zo’n geheime schuilplaats van ‘m afpakken. Zo erg meende ‘ie het, dat hij er stilletjes is gestorven. Als een kapitein die ten onder gaat met z’n schip. Zo deed ik hetzelfde. Beschermde wat ik als het mijne beschouwde. Ging het gevecht aan met rat, en won. Hij had het nakijken, in een andere gedaante welteverstaan.

Nu snuif ik enkel nog zijn – op het randje na – vlees geworden presence op. Zo dwaalt zijn geest door ons huis. Mijn geurreceptoren wennen maar niet aan zijn zomerlands’ bouquet. Ergens in mij steekt het. Wie ben ik om te bepalen of meneer de rat z’n laatste aardappel aangevreten heeft? Mij komt toch ook niemand uit m’n huis halen? Ik duld hier ook geen indringers, en er zijn grenzen aan mijn gastvrijheid. Als ik saaier ben, open ik een B&B. Ik pers elke dag verse jus, schil kilo’s iets kruimige aardappels met witte schil. Iedereen is welkom, rat of niet. Ze moeten alleen wel betalen.

Lees verder in Het knaagt – Deel 2

Ze hebben seks in mijn achtertuin

Ik bekijk een grafiek die de grootste stijgingen in online verkopen toont sinds de c-crisis. De broodmachine maakt een comeback. Inderdaad, waarom niet. Ik hou van een broodje op z’n tijd. Ik val terug op ouderwets uitpakken voor het gezin – Danerolle-reclame style. Ken je iemand die niet van vers brood houdt? Ik ga wel als nouveau jager/verzamelaar te werk. Het is mij teveel om een kwartier met klamme handpalmen op een slecht ontsmette boodschappenkar te leunen.

Binnen een etmaal staat een blauwe doos op de stoep. De bel lelt voor de derde keer, de bezorger zwaait al vanachter het raampje in zijn bus. Ik vraag me af of hij zijn huisbel-indruk-vinger ontsmet, maar ik heb grotere zorgen. Een gloednieuwe plastic machine gaat mij van mijn machteloosheid genezen. Al is het maar vandaag.

Twee uur later plaveit de geur van vers suikerbrood een aantrekkelijk spoor door het huis. Uit alle hoeken en gaten komen hongerige geïnteresseerden mijn kant op. Horden bijen drammen voor de oven, ik sta als ware Samurai met opgerolde krant op de wacht. Ik wuif ze de laan uit, terug de achtertuin in.

Ik besmeer wat snedes suikerbrood met boter. Het valt goed in de smaak. Tevreden met mezelf staar ‘k kauwend de tuin in. Zoom even in op de bijen. Die zijn het suikerbrood al lang vergeten, hebben andere dingen aan hun hoofd. De ene bij bestijgt de ander, tegen een backdrop van verse paardenbloemen die ik komend weekend weer wegmaai. Na vier seconden vliegen ze uit elkaar. Terwijl ze 300 keer per minuut met hun vleugels slaan.

Damn, they don’t fuck around. En toch… Ze hebben seks in mijn achtertuin. Wie maakt ze wat? Niks geen crisis.

Vorige week leerde ik de herkomst van dit woord. Krisis betekent – vrij vertaald vanuit het Grieks – ‘keuze’. Een crisis dient zich aan. De bij maakt de keuze om gewoon door te gaan met de orde van de dag. Geen suikerbrood om aan te knagen? En verder. Geen existentiële vragen, niks geen zelfhulpboeken. Niet puffen tijdens work-out-video’s van afgetrainde fitgirls. Verder gaan waar je gebleven was, het bijenvolk in stand houden.

Aan het einde van de dag speel ik met aluminium verpakkingen van paaseitjes die ik niet kon laten staan. Ik heb m’n zelfhulpboeken besteld, Youtube-work-outs gedaan én m’n suikerbrood gebakken. Toch lijkt het niet genoeg. Vroeg die bij zoveel meer van zichzelf? Ik denk het niet. Hij gaat verder met de orde van de dag.

Morgen open ik gewoon een nieuw document, bel met wat collega’s en schrijf die e-mails af. Smeer opnieuw een plak suikerbrood, het extraatje wat de dagen voor nu even goed maakt.

Waterdichtspray

Vorige week voegde ik een paar nieuwe sneakers aan m’n collectie toe. Daar komt altijd een heel ritueel bij kijken. Nadat ik de doos voorzichtig open maak, maak ik beide veters los en strik de schoenen opnieuw. Het idee dat ik ze zelf aansnoer, versterkt de band die we hebben. Hierna rennen we samen (that is, m’n sneakers en ik) de trap op en af, en gaan lekker in de bank liggen.

De eerste week behandel ik ze als luxe pantoffels, en mogen ze niet het huis uit. M’n vrouw grinnikt, geniet stiekem van mijn neurotische ritueeltjes.

Voordat we een rondje maken, grijp ik onder het aanrecht de beschermende waterdichtspray. Het label op het blik beloofd ze permanent waterdicht te maken. Een idee waar ik graag voor betaal. Alles onder het mom baat het niet, schaadt het niet.

In de achtertuin spray ik zowel binnen- als buitenkant helemaal stijf met dat spul. M’n neus vol met een chemische kauwgomlucht. De eerste week ben ik altijd erg voorzichtig, op m’n hoede met alles wat ook maar enigszins vlekken kan.

Denk je dat ze goed beschermd zijn? vraag ik haar twijfelachtig.

Natuurlijk. Er kan ze niks overkomen.

We maken een rondje op de fiets, en ik let even niet op. Met beide wielen ploeg ik door een diepe plas. Net te laat til ik m’n voeten van de pedalen. Modder overspoelt m’n frisse patta’s. Het stroomt langs de vetergaatjes naar binnen. Ik wist dat dit kon gebeuren, maar loog mezelf gerust.

We fietsen terug van het bezoekje aan onze ouders. Ik met natte sokken, geruïneerde sneakers en vergalde moraal. Allebei in hele andere sferen dan voorheen. Thuis wassen we direct onze handen.

Denk je dat ze goed beschermd zijn? vraagt ze mij twijfelachtig.

Natuurlijk. Er kan ze niks overkomen.

M’n neus vol met een chemische kauwgomlucht. Modder overspoelt m’n brein. Het stroomt langs m’n oren naar binnen.

Ik lieg mezelf liever gerust.

Ik stop even bij het skateparkje

Een gemene deler verbroedert. Passie voor voetbal of een gedeelde liefde voor postzegels. Toch zijn het de artefacten die ons verbinden met elkaar. Voetbalsupporters hebben niet meer nodig dan een vaal gewassen shirt. Wij skateboarders hebben die plank met vier wielen. Het duurt dan ook niet erg lang tot we elkaar gevonden hebben.

Mijn springplank uit een anders penibele, maar even pukkelige tijd. Mijn verhaal op de middelbare school is doorspekt met skateboarden. De eerste dag trok ik m’n skateschoenen aan en veel te wijde kleren en riep hiermee Ik ben hier! Kijk naar mij!

Er hingen wat gasten rond met skateboards in de pauze. Ze deden toen nog geen serieuze tricks, en droegen het meer als een soort embleem. Een uitnodiging tot een geheime club. En ik wist zeker dat ik het wachtwoord had.

Voorzichtig rolden we wat om elkaar heen. Het gekletter van de wieltjes over de stenen. Het fijnste ritme in de wereld. Een geluid wat me nog steeds doet omkijken. Er ontstond een vredesdans, voorzichtig charmeoffensief. Ik wist het, de vredespijp doet de rondte, in de vorm van voorzichtige truukjes. Het opende een poort, waarlangs de eerste woorden ontsnapte.

We waren allemaal op zoek naar wat maten, maar zeiden dat niet letterlijk. Daar waren we te stoer voor. We wisten ook niet waar we het moesten zoeken. Zo vonden we het per ongeluk bij elkaar. Vanaf die dag rolden we samen. Elk weekend cruisden we op de parkeerplaats van de buurtsuper in ons dorp.

Hier stalden we onze schansjes, gemaakt van afgedankt hout. Buiten obstakels maakten we ook veel ruzie met het winkelpersoneel, over de ruimte die we innamen en mogelijke last die we waren voor klanten. Die daar vaak heel anders naar keken, en ons aanmoedigden vanachter omlaag gerolde autoraampjes.

Ook waren we vaak in discussie met wijkagenten. Telkens weer legden we uit dat we geen vaste plek hadden voor onze spullen. Als een stam zonder totempaal om naar terug te keren. Kort daarna zamelden we handtekeningen in, en gaven deze krabbels aan de burgemeester tijdens een heuse raadsvergadering. Het comité zwichtte, en wij hadden het geflikt. We hadden eindelijk een skateparkje geregeld voor onszelf. Opeens schoten ze als paddenstoelen uit de grond. We waren trots. Onze ouders waren trots, en gerust. Voortaan hadden we één plek om onszelf te zijn. We zetten ongestoord ons clubhuis op.

De beste tijden beleefden we hier. Weer en wind, zolang het droog was, waren we er te vinden. We kenden elke put, versnelden over elke hobbel. Wisten precies waar de spijkers loszaten, of van welke kant je de obstakels het best kon benaderen. We moedigden elkaar aan, vierden onze successen met chips en gazeuse. Later ook wel eens met een biertje of wat ander spul. We vlogen elkaar in de haren, praatten later weer ruzies uit. Er werd geroddeld, gelachen, overwogen en vooral grenzen verlegd. Maar dat alles boeide niet, meer dan dat we aan het skateboarden waren, maakten we banden voor het leven.

Naast kameraden – trekt een pleintje waar jonge mannen hun atletische kunsten aan elkaar meten – ook vrouwelijk schoon. Wijs mij één plek aan waar dat niet zo is. Dus stonden er ook wel eens moeders langs de zijlijn, die kwamen kijken of zoonlief voorzichtig deed. Later kwamen er de vriendinnetjes, om samen een rondje te rijden. Wij dan hun handen vasthouden, en stiekem een beetje flirten.

Man, we waren de koning te rijk.

Op een houten plank met vier wielen leer je anders kijken. De weg voor ons als uitdaging. Met je maten de straten op gaan, maakt je onaantastbaar. Nee die plank was niet per se een schild tegen de wereld, meer eentje om onze eigen wereld mee te beschermen. Want hier was ‘t fijn, had je altijd iemand om mee te rollen.

Skateboarden heeft me hier gebracht. Op vier wielen. Asfalt en beton geven niet mee, dat kan ik je wel zeggen. Ze leren je wel wijze lessen over vallen en opstaan. Op je tanden bijten en doorgaan. Met een pak aan littekens, zichtbaar en denkbaar. Met dit plankje daag ik mezelf uit om weer naar boven te klimmen. Ook al loopt het bloed langs m’n schenen m’n schoenen in (true story). Ik neem het risico om keer op keer gekwetst te worden.

Als ik binnenkort terugkeer naar het dorp waar ik opgroeide, stop ik even bij het skateparkje. Leunend tegen de kofferbak van de auto, doe ik met m’n ogen dicht een perfecte truukje op het skatepark.

Als het in m’n hoofd lukt, zal het in het echt ook wel te doen zijn.

Thuiswerken is ook gevaarlijk

Hopelijk lees je dit stukje in een overvolle trein. Tot die tijd werkt de wereld thuis. Ik tuur vanuit mijn bivak-kantoor naar lege passerende bussen. Ik besef me dat ik al die tijd onder de mensen was, en ben voor het eerst sinds lange tijd akelig alleen.

Werken gaat vooralsnog goed. Collega’s prijzen elkaar de pan uit over hoe goed we werken via de ether.

Ik krijg veel foto’s doorgestuurd van thuiswerkplekken. Bakjes gezonde lunch, selfies in vogelperspectief, een kroelende kat op schoot. Op de achtergrond een stapel correcte linkse magazines, een immense bos bloemen op tafel.

Kijk, het gaat goed met me.

Opgesloten in m’n cocon, beantwoord ik tot wel zes telefoontjes per dag. Tussendoor bekijk ik 15 corona-memes, zet 5 bakken thee en maak 2 bakjes yoghurt. M’n to-do list is rond 4 uur al leeg. We zijn zo weer 1 dag verder. Tussen calls door doe ik wat afwas, en ik voel me ongelooflijk productief.

Toch, elke minuut in m’n eentje, maak ik heel bewust me. De opties zijn eindeloos. Zal ik nog een boterham met pindakaas smeren? Die energie heb ik toch niet echt nodig vandaag. Nee, dat is ook weer zo. Of zal ik eíndelijk eens de foto’s van de laatste drie vakanties ordenen? Lijkt me geen goed idee, straks komt m’n manager er achter.

In de middag maak ‘k een rondje door een verlaten buurt. Heel even dacht ik alleen te zijn op straat, maar het krioelt van de wandelaars.

We willen vooral laten zien hoe goed we bezig zijn. Een beetje mens zijn. Elke minuut verantwoord werk uitvoeren, laten zien dat we bereikbaar zijn, via de mail, telefoon of chat, het is bijna niet te doen.

Daarbuiten zelfs nog zonder schuld (en met gevaar voor eigen leven) een rondje wandelen na de lunch. Waar we anders nooit tijd en zin voor hadden, lijkt opeens bij het corona-pakket aan maatregelen te horen. Ritme houden, voldoende bewegen en goed eten.

Mijn buurtje verstopt zich dan wel achter de gordijnen, maar wacht stiekem tot de storm gaat liggen. Tot de tijd komt dat we ons hoofdschuddend afvragen, waarom we in godsnaam 120 rollen WC-papier in de voorraadkast hebben staan.

Al dat thuiswerken haalt alles in jezelf naar boven. Dus laat het vooral niet zakken, als we weer allemaal de wijde wereld in mogen.

De bezorger is onderweg

Het lijkt er op dat we voorlopig in onze home-offices verder tikken. Met een paar boeken verhoog ik m’n laptop, en stop een extra kussentje onder m’n kont. De dependance is geopend.

En toch, een leven als thuiswerker, dat gaat ook niet over rozen. Je moet weten, in het pre-corona tijdperk had ik wat spullen besteld. Die hadden dan wel ergens in Italië wat vertraging opgelopen, maar werden vandaag toch echt bezorgd.

Ik krijg een mailtje, ‘De bezorger is onderweg’, even later gaat de bel. Ik spot een wat oudere bezorger door het kijkertje in de deur. Shit, wat doe ik nu? Ik wil de beste man niet ziek maken. Toch, zou hij hetzelfde denken? In m’n hoofd roep ik naar hem door de brievenbus: Zet maar neer hoor, ik pak ‘t zo zelf wel. Dat staat ook weer zo afstandelijk.

Dan flappert er opeens een klepje heen en weer, en voelt die beste man zich nog meer verstoten. Waarna er misschien alsnog spuug op hem belandt en hij tegen de tijd dat ik dit stukje af heb, ergens op de IC ligt. Hartstikke cru allemaal en vrij visueel en onwerkelijk ja. Dus ik doe toch maar de deur open.

De man wendt zijn blik af, en reikt zo ver als hij kan het pakket toe. Even vrees ik dat hij zijn schouder ontwricht, maar het lijkt tot dusver goed te gaan.

Ik bedank hem, en wens hem sterkte op zijn route. Hij bedankt, starend naar de stoeptegels. Een paar telen later loop ik de trap op met een bak thee, en het pakket. Dit is waarschijnlijk het gevaarlijkste wat ik vandaag onderneem. Met een bakje heet water de trap op sprinten. Terwijl die arme man mijn koopdrang nog steeds aan het vervullen is.

Toch, hebben we ‘t allemaal op onze eigen manier te verduren. Ik denk aan Brené Brown die het mooier verwoordde,’we staan allemaal in de arena.’ Een arena, precies zo kan het wel voelen.

Eentje waarin mensen volop de straat op gaan, om daarna in een boog om elkaar heen te lopen. Waarin mensen en masse steun betuigen, klappen en huilen.

Niet omdat we niet anders willen, maar omdat we doen wat we kunnen. Omdat we ook het geluk hebben ons veilig terug te trekken als het kan. Om van daaruit, nog steeds onze beste zelf te kunnen zijn. Dus pas op met hete thee, en bestel niet teveel spulletjes.

Net genoeg appelmoes

Lepels op bodems van kommetjes schrapen het laatste beetje ontbijt weg. Een kop koffie half gevuld. De eerste geluiden van de ochtend doorbreek ik met een triviale opmerking. Als de wereld zich om ons heen afspeelt, zijn wij dan geen rondtrekkende parade? Ik ben een hypochonder in de liefde, vind daarom aanstalten van een afscheid in al je stiltes. Je lacht, en je glimlach ontsmet me.

Als je dan naar werk vertrekt, zwaai ik je altijd even uit. Koffiemok in m’n linkerhand, de ander voorzichtig wuivend rond ooghoogte. Nadat de deur dicht valt ga ik snel op jouw stoel zitten, om nog even je warmte te voelen. Voordat je met het ronken van de automotor verdwijnt, en de kamer voelbaar een graad kouder wordt.

Terwijl ik wat van onze spullen opruim, overvalt het me. We kunnen het steeds beter vinden met elkaar. Naar een hoop zijn we nog op zoek. Sneller, beter of simpelweg hier zijn. Waar we zeker van zijn, is iemand om meer dan oud mee te worden. Verspreid over mijn slapen zag je wat grijze haren. Maar het geeft niet zeg je, het is mooi zo. Pijntjes en rusteloze nachten om keuzes, die als onkruid onder onze voeten blijft ontspruiten.

Zelfs zonder er heel erg naar te zoeken, wisselen we de kleinste flarden gedachten. Hier heb je een stukje van mij, wat vind je er van? Hier doen we dan net genoeg appelmoes over, zodat we het allebei lustten. Dat is precies wat ouder worden is. Erkennen dat het goed is net genoeg appelmoes te gebruiken.

Ook wij zullen oud worden. Maar het geeft niet. Als ik naar je kijk, kan ik rustig in slaap vallen. Onze lijven – onze dragers – mogen dan wel ouder worden, een notie naar geborgenheid zal niet vervliegen. Laat me alsjeblieft je ANWB-man blijven. Niet bijster hip, maar meer een vangnet om je in te wikkelen.

Toch komt er een dag dat we elkaar verliezen. Misschien aan een familiale kwaal. Of een ongelukkige val van een ladder met maar 3 sporten – wie zal het zeggen. Mocht je eerder gaan dan ik, wil je het dan alsjeblieft op tijd zeggen? Ik denk dat ik dan ietsje eerder kom. Ik zal in tientallen sterven, één jaar een decennium zonder jou.

Het kan niet zomaar afgelopen zijn. De show blijft doorgaan. ’s Avonds als we terug thuiskomen fluister ik je toe: Wegens ongekend succes blijvend verlengd: ons. Ik pauzeer, je fronst. Kaartjes zijn nergens te verkrijgen. Wat ik er niet bij zeg – maar wat jij ook wel weet – is dat er in het midden van de parade altijd een grote pot appelmoes staat. Omdat dat precies is wat ouder worden is. Erkennen dat het goed is om net genoeg appelmoes te gebruiken. Je lacht, en je glimlach bevestigt me.

Het is zoveel meer dan busje rijden

Een status als stedeling bevestigd door liften met lijnbussen. Net achter de gele lijn babbel ik met de zwaar besnorde chauffeur die ik – in zijn afwezigheid – de Walrus noem. Met twee handen aan het stuur, en een half oog op de weg, voorziet hij lijn 3 van een vertrouwd smoelwerk. Zie ik de stad voor me als een simpele landkaart, vouwt hij ze met z’n woorden tot de mooiste origami-vogel. Van zuid naar noord cruisen we via het centrum langs de vouwlijnen van de stad, elk omschreven met een prachtig verhaal.


Vanachter zijn vergeelde snorharen mompelt hij iedereen vriendelijk goeiedag. Een glimmende bol met een zonnebril er op. Z’n stem warm en benauwd, alsof verstopt in een stofzuigerzak. Onderarmen als scheepstrossen, vol vrouwennamen en pin-up-modellen. Eén borstzakje gevuld met een pakje middel-zware shag en blauwe vloei. Maatje XL overhemd klaar om de knopen tegen de voorruit te knallen. Z’n stempelkussen altijd vochtig en paraat. Hij zweert bij deze inkt, die hij haalt bij de lokale kunstzaak. Want echte kwaliteit, die kent geen prijs.


‘Doe mij maar de hele fruitmand’, proest hij, als er weer een prachtexemplaar incheckt. ‘Peer- of appelvormig, een huid als perzik of ruw als sinaasappels. Ik vind ze allemaal prachtig’. Maar geen kwaad woord over zijn Katrien. Haar plukte hij dertig jaar geleden, geheel eigenhandig. Langzaam nam hij haar van de boom. Zij gaf hem z’n Sarah, die hij niet meer zo vaak ziet. ‘Druk met werk, zo gaat dat tegenwoordig’. Trots wrijft hij over zijn linker onderarm, de onuitwisbare indruk die nooit uit zijn lijf zal sijpelen.


In halve zinnen vertelt de Walrus me dat lijn 3 de zijne is. Langs de vijftien adressen waar z’n jeugd geleefd werd, tot het stadscafé waar hij van z’n eerste loon Katrien mee uit eten nam. We passeren zijn moedertje-lief die tussen de pap en bingo door naar hem zwaait. Het idee dat ze ooit onder hetzelfde dak woonden haar bijna ontvlogen. Met de dienstregeling in haar hand wuift ze ons vanuit haar rolstoel toe. Nee, Lijn 3 is de Walrus. Die pakken ze hem niet af.
Na het rondje rijd ik wel eens mee naar de garage, en deel dan een six-pakje met ‘m. ‘Het is zoveel meer dan alleen maar busje rijden’, bromt hij, terwijl hij het schuim van een derde blikje af slurpt. Het is zijn stad bedienen. De belangrijkste schakel zijn in een alledaags, eenvoudig leven. Een directe lijn tussen de harten van mensen die lief hebben, geld moeten verdienen of wellicht hun laatste dag beleven. ‘Zorgen dat ze mogen doen waar ze die ochtend hun bed voor uit wilden komen, prachtig toch?’


Drie maandagen op rij ontbreekt de Walrus aan het stuur. Vervangend chauffeur Sjon fluistert me toe: ‘Hank bedoel je? Nee, die is vorige maand opgenomen met K, het zat overal. Dokters zagen het niet eerder zo snel gaan. Gisteren in z’n slaap gegaan. Sorry man.’ Iets weerhoudt me ‘K’ vragend voluit uit te spreken, alsof op zoek naar bevestiging. Ik ga op m’n vaste plek zitten en blijf Sjon elk woord verschuldigd. Via de achteruitkijkspiegel voel ik hem loeren: ‘Jij bent toch die kerel die altijd met ‘m praatte? Hier, je mocht z’n petje hebben. Aparte vent, hoor.’ De rand rolt tussen m’n vingertoppen, een shaglucht prikt prettig de binnenkant van m’n neus.


Een dame met kenbaar digitale klankkleur zegt dat Centraal het eindpunt is van onze route. Of we hier allemaal willen uitstappen en onze spullen willen meenemen. Deuren sluiten en ik blijf zitten. Eén biertje in m’n hand, een andere op zijn stoel. ‘Proost ouwe! Op waar je ook rondjes mag rijden nu’. Alle dagen daarna zit ik achterin de bus. Dan zwaai ik tussen de pap en de bingo naar de glimlach in een rolstoel, hopende in haar nog een beetje Walrus te vinden. Want het is zoveel meer dan alleen maar busje rijden.

Beste bezoekers, we sluiten over ongeveer 60 jaar

Ik ben de nachtwacht met dagdienst. Overuren maken meer regel dan uitzondering. Na openingstijden weer alles opruimen. Achtergelaten spullen netjes bij de gevonden voorwerpen afgeven, misschien komt iemand ze ooit nog halen. ’s Nachts herschik ik met m’n ogen dicht alle kamers. Scheve kaders hang ik weer recht. Als verse baby’s koester ik ze, terwijl ik de bovenkant afstof. Bijhouden of de collectie nog wel compleet is, hier en daar herstelwerkzaamheden verrichten. Je kent het wel, het betere knip-en-plak werk. Met één oor op het kussen en dan met een voldaan gevoel verder slapen. Geen baan zoals deze.

Maar dit museum sluit nooit, vertoond een permanente wisseltentoonstelling. Elke dag wordt de hele boel weer afgebroken, een rondtrekkende karavaan. Een handjevol in de permanente collectie, de rest netjes in het archief. De tijdelijke stukken worden vergeten, vaak in een andere samenstelling getoond. Gestolen of uitgeleend. Alle stukken een eigen wil, en ze laten zich niet zomaar op die sokkel draperen. Maar dagelijks koester ik jullie.

Elke dag weer rijen dik, zelfs als ik er niet bij ben. Stapvoets alle werken langslopen. De één met de handen op de rug. Of met de handen in het haar, wenkbrauwen richting de hemel. Of kort een hand op je schouder, waarna je misschien verschrikt terugdeinst. Dan komen ze alle tekst op de bordjes tot zich nemen. Wellicht een foto maken, maar daarna weer vluchtig doorlopen. Maar ga nou eens netjes op volgorde staan als je wilt. Ook gaan ze kort in gesprek met jullie, en gaan daarmee net voorbij het touwtje. Maar er is nooit een alarm wat afgaat.

Wat zou ‘k graag aan de andere kant staan, ook eens genieten van het uitzicht. Maar zonder jullie dempt het gezoem en blijft een vlijmscherpe toon over. Zo’n zoem na een luid concert, met de versterkers op twaalf. Het snijdt langzaam de werken uit de kaders, de doeken in lange flarden op de grond gegooid. Het maakt dat alle sokkels leeg zijn, vergruisde hopen steen blijven over. Hoe bouw ‘k dit ooit weer op, als jullie het zelf steeds afbreken?

Sommige stukken worden uitgeleend, om daarna nooit meer terug te komen. Zou ik jullie moeten terugkopen? Wellicht duiken ze ergens op het scherm wel weer op, en spreken we elkaar dan weer. Zo van: hoe gaat het nu met je, we moeten nog eens koffie drinken samen! Die koffie zal me steenkoud worden, geen van ons met de bedoeling ooit aan te schuiven. Toch bedankt aan alle andere nachtwachten, die zo vriendelijk zijn om op hun beurt weer alle stukken in de gaten houden. Ze gidsen me door al die kamers die samenzweren me het doolhof in te lokken. Hier is de uitgang, volg de bordjes maar. Dank je wel.

Maar jij bent een topstuk. Met jou wil ik het hele museum doorlopen. Alle bordjes lezen, de audiotour afluisteren. Laten we aan iedereen vragen wat ze van alles vinden, ook al interesseert het ons helemaal niets. Ah toe, kan het? Jawel toch. Neem me mee aan m’n hand, we zullen elkaar er doorheen helpen. Moet je zien hoe knap dit gedaan is. Daar zijn ze vast uren aan bezig geweest. Maar moet je hier kijken, dat kunnen wij zelf ook. En dat doen we dan, over een jaar of wat. Terwijl wij heel hard vasthouden aan ons toegangsbewijs, en dat van elkaar. Zodat ze ons dat niet komen afnemen.

‘s Nachts vertoond de omroeper in het museum wat storing. Dan hoor ik hem zeggen: “Beste bezoekers, we zijn halverwege 2017, we sluiten over ongeveer 60 jaar. Gelieve verzoeken wij u niet te paniekeren op uw weg naar de uitgang. Dank u wel voor uw begrip.” We hebben nog wel even, laten we nog even langs de souvenirs gaan. We wachten wel tot ze ons komen halen, om ons daarna zelf in een doosje te stoppen.

Als je terugkomt leer ik zwemmen

’s Ochtends open ik alle gordijnen en tuur de eerste uren in. Het is donker, en het raam is een poort naar een eindeloos niets. Ik was het zweet van mijn gezicht en kam mijn natte haren. Enkel als ik schoon en gekleed ben, kus ik jouw foto.

Daarna ga ik rugwaarts de trap af. Kort raak ik met m’n tenen het water aan, om daarna tot m’n middel in het water te zakken. De weerspiegeling toont mijn reflectie, gedragen door het water waarin ik elke week geboren word. Maar ik kijk niet naar beneden. Te bang een man alleen te zien. Bang een man te zien die er niet is. Een man die dobberend de week oversteekt.

Zo lig ik elke maandagochtend klaar in het water. Ik zet mezelf af tegen de rand en drijf zo de eerste dag door. Halverwege doemen contouren op. Op dag drie lijken mijn zwembanden af te gaan, kort erna staar ik urenlang naar de plafonds van ons huis. Tot het donker de leegte opvreet, vul ik de nacht met verloren woorden.

Onze telefoon viel op de grond, verdween tot puin onder mijn schoenen. Een zwarte sluier trok me voorbij de vloer. Je zou niet meer naast me liggen vanavond. Niet morgen. Ik bad tot krachten die me eerder niets deden. Wie mij ook hoort, geef mij nog één zonsopgang met haar.

Jij was de zon die de randen kon verlichten. In het donker was ik helder. Maar alles was schijn, want manen reflecteren. Ik weerkaatste en glom alleen naast jou. Waar we eerst een kader vormden, zijn de randen ons ontnomen. Een spiegel zonder lijst, een zwembad zonder kuip.

’s Avonds sluit ik de gordijnen en tuur de laatste uren in. Het is donker, en het raam is een poort naar een lang vergeten iets. Ik leeg mijn glas, en streel jouw foto. Met gesloten ogen voel ik jouw mond die mijn handpalmen kust. Stil maar, je moet verder. Ga door en omlijst je dagen. Doe het voor mij. Ik zweer de leegte dat ik randen zal bouwen. Ik aanbid de plafonds die jouw gezicht kadreren. Al is het maar voor een paar seconden.

Ooit zal die dag komen, maar voor nu ben ik gewoon een man. Een man die dobberend de week oversteekt. Maar als je terugkomt dan misschien. Dan leer ik misschien wel zwemmen.

Het licht brandt in onze kijkdoos

In het knielen van de avond fiets ik langs verlichte huiskamers. Glas omkadert het warme geelrode licht wat door voorruiten op de straat valt. De voyeur in mij steekt de kop op, terwijl de donkerte contouren schetst die me naar binnen trekken. M’n blik glipt naar binnen langs cactussen en porseleinen Tiroler taferelen. Voorwerpen gedrapeerd op bestofte vensterbanken bungelend boven vergeelde vitrages. Ik piek zo met een vaart langs verschillende schijven van de kijkdozen heen.

Ik ontdek verschillende opstellingen. Eettafel aan de ene, televisie aan de andere kant van de kamer. Een waaier aan kleuren, maar door de band genomen vrij beschaafd. De scenes net goed, alsof van boven een melodramatische sfeer gecontroleerd wordt. Een beetje meer kamerlamp op deel twee, ietwat minder spots op spelend grut. Schouwspellen voltrekken zich achter de bloempotten en plateaus vol welriekende kaarsen. Een woonkamer komt in niet heel erg veel verschillende smaken in deze wijk.

Verschillende podia ontstaan, figuren spelen schaduwspellen via de wanden. Onzichtbare touwtjes laat ze flaneren over de vloeren. Onderweg spreken ze elkaar aan, met verschillende motieven. Eéndelige pakken vloeien tot een enkele vorm samen met de bank. Een bakje eten op schoot, of gewoon op een stoel aan tafel. Gloeiende schermen vlakken anders zo mooi roze gezichten af met een blauwige gloed.

Wellicht spelen er kinderen, of worden er ruzies uitgevochten. Blauwe enveloppen opengetrokken met slecht nieuws. Lachend om elkaars grappen misschien, met een glas wijn alleen op de bank. Of enkel wat heen en weer swipen op een stukje glas met internetverbinding. Eerder gedraaide scripts, of compleet nieuwe stukken. Allemaal in hun eigen kijkdoos, voor mij om langs te razen.

Zo ben ik ook redelijk verlaat, onderweg naar een voorstelling. Ik zie dat de lichten in onze doos al branden. Een plek voor anderen om naar binnen te kijken, maar enkel een kaartje op de achterste rij krijgen. Schaduwspellen laten ruimte voor de verbeelding. Ze bevestigen de doodnormale opstelling van onze kijkdoos, waar voor ons altijd het licht zal branden.