Net genoeg appelmoes

Lepels op bodems van kommetjes schrapen het laatste beetje ontbijt weg. Een kop koffie half gevuld. De eerste geluiden van de ochtend doorbreek ik met een triviale opmerking. Als de wereld zich om ons heen afspeelt, zijn wij dan geen rondtrekkende parade? Ik ben een hypochonder in de liefde, vind daarom aanstalten van een afscheid in al je stiltes. Je lacht, en je glimlach ontsmet me.

Als je dan naar werk vertrekt, zwaai ik je altijd even uit. Koffiemok in m’n linkerhand, de ander voorzichtig wuivend rond ooghoogte. Nadat de deur dicht valt ga ik snel op jouw stoel zitten, om nog even je warmte te voelen. Voordat je met het ronken van de automotor verdwijnt, en de kamer voelbaar een graad kouder wordt.

Terwijl ik wat van onze spullen opruim, overvalt het me. We kunnen het steeds beter vinden met elkaar. Naar een hoop zijn we nog op zoek. Sneller, beter of simpelweg hier zijn. Waar we zeker van zijn, is iemand om meer dan oud mee te worden. Verspreid over mijn slapen zag je wat grijze haren. Maar het geeft niet zeg je, het is mooi zo. Pijntjes en rusteloze nachten om keuzes, die als onkruid onder onze voeten blijft ontspruiten.

Zelfs zonder er heel erg naar te zoeken, wisselen we de kleinste flarden gedachten. Hier heb je een stukje van mij, wat vind je er van? Hier doen we dan net genoeg appelmoes over, zodat we het allebei lustten. Dat is precies wat ouder worden is. Erkennen dat het goed is net genoeg appelmoes te gebruiken.

Ook wij zullen oud worden. Maar het geeft niet. Als ik naar je kijk, kan ik rustig in slaap vallen. Onze lijven – onze dragers – mogen dan wel ouder worden, een notie naar geborgenheid zal niet vervliegen. Laat me alsjeblieft je ANWB-man blijven. Niet bijster hip, maar meer een vangnet om je in te wikkelen.

Toch komt er een dag dat we elkaar verliezen. Misschien aan een familiale kwaal. Of een ongelukkige val van een ladder met maar 3 sporten – wie zal het zeggen. Mocht je eerder gaan dan ik, wil je het dan alsjeblieft op tijd zeggen? Ik denk dat ik dan ietsje eerder kom. Ik zal in tientallen sterven, één jaar een decennium zonder jou.

Het kan niet zomaar afgelopen zijn. De show blijft doorgaan. ’s Avonds als we terug thuiskomen fluister ik je toe: Wegens ongekend succes blijvend verlengd: ons. Ik pauzeer, je fronst. Kaartjes zijn nergens te verkrijgen. Wat ik er niet bij zeg – maar wat jij ook wel weet – is dat er in het midden van de parade altijd een grote pot appelmoes staat. Omdat dat precies is wat ouder worden is. Erkennen dat het goed is om net genoeg appelmoes te gebruiken. Je lacht, en je glimlach bevestigt me.

Het is zoveel meer dan busje rijden

Een status als stedeling bevestigd door liften met lijnbussen. Net achter de gele lijn babbel ik met de zwaar besnorde chauffeur die ik – in zijn afwezigheid – de Walrus noem. Met twee handen aan het stuur, en een half oog op de weg, voorziet hij lijn 3 van een vertrouwd smoelwerk. Zie ik de stad voor me als een simpele landkaart, vouwt hij ze met z’n woorden tot de mooiste origami-vogel. Van zuid naar noord cruisen we via het centrum langs de vouwlijnen van de stad, elk omschreven met een prachtig verhaal.


Vanachter zijn vergeelde snorharen mompelt hij iedereen vriendelijk goeiedag. Een glimmende bol met een zonnebril er op. Z’n stem warm en benauwd, alsof verstopt in een stofzuigerzak. Onderarmen als scheepstrossen, vol vrouwennamen en pin-up-modellen. Eén borstzakje gevuld met een pakje middel-zware shag en blauwe vloei. Maatje XL overhemd klaar om de knopen tegen de voorruit te knallen. Z’n stempelkussen altijd vochtig en paraat. Hij zweert bij deze inkt, die hij haalt bij de lokale kunstzaak. Want echte kwaliteit, die kent geen prijs.


‘Doe mij maar de hele fruitmand’, proest hij, als er weer een prachtexemplaar incheckt. ‘Peer- of appelvormig, een huid als perzik of ruw als sinaasappels. Ik vind ze allemaal prachtig’. Maar geen kwaad woord over zijn Katrien. Haar plukte hij dertig jaar geleden, geheel eigenhandig. Langzaam nam hij haar van de boom. Zij gaf hem z’n Sarah, die hij niet meer zo vaak ziet. ‘Druk met werk, zo gaat dat tegenwoordig’. Trots wrijft hij over zijn linker onderarm, de onuitwisbare indruk die nooit uit zijn lijf zal sijpelen.


In halve zinnen vertelt de Walrus me dat lijn 3 de zijne is. Langs de vijftien adressen waar z’n jeugd geleefd werd, tot het stadscafé waar hij van z’n eerste loon Katrien mee uit eten nam. We passeren zijn moedertje-lief die tussen de pap en bingo door naar hem zwaait. Het idee dat ze ooit onder hetzelfde dak woonden haar bijna ontvlogen. Met de dienstregeling in haar hand wuift ze ons vanuit haar rolstoel toe. Nee, Lijn 3 is de Walrus. Die pakken ze hem niet af.
Na het rondje rijd ik wel eens mee naar de garage, en deel dan een six-pakje met ‘m. ‘Het is zoveel meer dan alleen maar busje rijden’, bromt hij, terwijl hij het schuim van een derde blikje af slurpt. Het is zijn stad bedienen. De belangrijkste schakel zijn in een alledaags, eenvoudig leven. Een directe lijn tussen de harten van mensen die lief hebben, geld moeten verdienen of wellicht hun laatste dag beleven. ‘Zorgen dat ze mogen doen waar ze die ochtend hun bed voor uit wilden komen, prachtig toch?’


Drie maandagen op rij ontbreekt de Walrus aan het stuur. Vervangend chauffeur Sjon fluistert me toe: ‘Hank bedoel je? Nee, die is vorige maand opgenomen met K, het zat overal. Dokters zagen het niet eerder zo snel gaan. Gisteren in z’n slaap gegaan. Sorry man.’ Iets weerhoudt me ‘K’ vragend voluit uit te spreken, alsof op zoek naar bevestiging. Ik ga op m’n vaste plek zitten en blijf Sjon elk woord verschuldigd. Via de achteruitkijkspiegel voel ik hem loeren: ‘Jij bent toch die kerel die altijd met ‘m praatte? Hier, je mocht z’n petje hebben. Aparte vent, hoor.’ De rand rolt tussen m’n vingertoppen, een shaglucht prikt prettig de binnenkant van m’n neus.


Een dame met kenbaar digitale klankkleur zegt dat Centraal het eindpunt is van onze route. Of we hier allemaal willen uitstappen en onze spullen willen meenemen. Deuren sluiten en ik blijf zitten. Eén biertje in m’n hand, een andere op zijn stoel. ‘Proost ouwe! Op waar je ook rondjes mag rijden nu’. Alle dagen daarna zit ik achterin de bus. Dan zwaai ik tussen de pap en de bingo naar de glimlach in een rolstoel, hopende in haar nog een beetje Walrus te vinden. Want het is zoveel meer dan alleen maar busje rijden.

Beste bezoekers, we sluiten over ongeveer 60 jaar

Ik ben de nachtwacht met dagdienst. Overuren maken meer regel dan uitzondering. Na openingstijden weer alles opruimen. Achtergelaten spullen netjes bij de gevonden voorwerpen afgeven, misschien komt iemand ze ooit nog halen. ’s Nachts herschik ik met m’n ogen dicht alle kamers. Scheve kaders hang ik weer recht. Als verse baby’s koester ik ze, terwijl ik de bovenkant afstof. Bijhouden of de collectie nog wel compleet is, hier en daar herstelwerkzaamheden verrichten. Je kent het wel, het betere knip-en-plak werk. Met één oor op het kussen en dan met een voldaan gevoel verder slapen. Geen baan zoals deze.

Maar dit museum sluit nooit, vertoond een permanente wisseltentoonstelling. Elke dag wordt de hele boel weer afgebroken, een rondtrekkende karavaan. Een handjevol in de permanente collectie, de rest netjes in het archief. De tijdelijke stukken worden vergeten, vaak in een andere samenstelling getoond. Gestolen of uitgeleend. Alle stukken een eigen wil, en ze laten zich niet zomaar op die sokkel draperen. Maar dagelijks koester ik jullie.

Elke dag weer rijen dik, zelfs als ik er niet bij ben. Stapvoets alle werken langslopen. De één met de handen op de rug. Of met de handen in het haar, wenkbrauwen richting de hemel. Of kort een hand op je schouder, waarna je misschien verschrikt terugdeinst. Dan komen ze alle tekst op de bordjes tot zich nemen. Wellicht een foto maken, maar daarna weer vluchtig doorlopen. Maar ga nou eens netjes op volgorde staan als je wilt. Ook gaan ze kort in gesprek met jullie, en gaan daarmee net voorbij het touwtje. Maar er is nooit een alarm wat afgaat.

Wat zou ‘k graag aan de andere kant staan, ook eens genieten van het uitzicht. Maar zonder jullie dempt het gezoem en blijft een vlijmscherpe toon over. Zo’n zoem na een luid concert, met de versterkers op twaalf. Het snijdt langzaam de werken uit de kaders, de doeken in lange flarden op de grond gegooid. Het maakt dat alle sokkels leeg zijn, vergruisde hopen steen blijven over. Hoe bouw ‘k dit ooit weer op, als jullie het zelf steeds afbreken?

Sommige stukken worden uitgeleend, om daarna nooit meer terug te komen. Zou ik jullie moeten terugkopen? Wellicht duiken ze ergens op het scherm wel weer op, en spreken we elkaar dan weer. Zo van: hoe gaat het nu met je, we moeten nog eens koffie drinken samen! Die koffie zal me steenkoud worden, geen van ons met de bedoeling ooit aan te schuiven. Toch bedankt aan alle andere nachtwachten, die zo vriendelijk zijn om op hun beurt weer alle stukken in de gaten houden. Ze gidsen me door al die kamers die samenzweren me het doolhof in te lokken. Hier is de uitgang, volg de bordjes maar. Dank je wel.

Maar jij bent een topstuk. Met jou wil ik het hele museum doorlopen. Alle bordjes lezen, de audiotour afluisteren. Laten we aan iedereen vragen wat ze van alles vinden, ook al interesseert het ons helemaal niets. Ah toe, kan het? Jawel toch. Neem me mee aan m’n hand, we zullen elkaar er doorheen helpen. Moet je zien hoe knap dit gedaan is. Daar zijn ze vast uren aan bezig geweest. Maar moet je hier kijken, dat kunnen wij zelf ook. En dat doen we dan, over een jaar of wat. Terwijl wij heel hard vasthouden aan ons toegangsbewijs, en dat van elkaar. Zodat ze ons dat niet komen afnemen.

‘s Nachts vertoond de omroeper in het museum wat storing. Dan hoor ik hem zeggen: “Beste bezoekers, we zijn halverwege 2017, we sluiten over ongeveer 60 jaar. Gelieve verzoeken wij u niet te paniekeren op uw weg naar de uitgang. Dank u wel voor uw begrip.” We hebben nog wel even, laten we nog even langs de souvenirs gaan. We wachten wel tot ze ons komen halen, om ons daarna zelf in een doosje te stoppen.

Als je terugkomt leer ik zwemmen

’s Ochtends open ik alle gordijnen en tuur de eerste uren in. Het is donker, en het raam is een poort naar een eindeloos niets. Ik was het zweet van mijn gezicht en kam mijn natte haren. Enkel als ik schoon en gekleed ben, kus ik jouw foto.

Daarna ga ik rugwaarts de trap af. Kort raak ik met m’n tenen het water aan, om daarna tot m’n middel in het water te zakken. De weerspiegeling toont mijn reflectie, gedragen door het water waarin ik elke week geboren word. Maar ik kijk niet naar beneden. Te bang een man alleen te zien. Bang een man te zien die er niet is. Een man die dobberend de week oversteekt.

Zo lig ik elke maandagochtend klaar in het water. Ik zet mezelf af tegen de rand en drijf zo de eerste dag door. Halverwege doemen contouren op. Op dag drie lijken mijn zwembanden af te gaan, kort erna staar ik urenlang naar de plafonds van ons huis. Tot het donker de leegte opvreet, vul ik de nacht met verloren woorden.

Onze telefoon viel op de grond, verdween tot puin onder mijn schoenen. Een zwarte sluier trok me voorbij de vloer. Je zou niet meer naast me liggen vanavond. Niet morgen. Ik bad tot krachten die me eerder niets deden. Wie mij ook hoort, geef mij nog één zonsopgang met haar.

Jij was de zon die de randen kon verlichten. In het donker was ik helder. Maar alles was schijn, want manen reflecteren. Ik weerkaatste en glom alleen naast jou. Waar we eerst een kader vormden, zijn de randen ons ontnomen. Een spiegel zonder lijst, een zwembad zonder kuip.

’s Avonds sluit ik de gordijnen en tuur de laatste uren in. Het is donker, en het raam is een poort naar een lang vergeten iets. Ik leeg mijn glas, en streel jouw foto. Met gesloten ogen voel ik jouw mond die mijn handpalmen kust. Stil maar, je moet verder. Ga door en omlijst je dagen. Doe het voor mij. Ik zweer de leegte dat ik randen zal bouwen. Ik aanbid de plafonds die jouw gezicht kadreren. Al is het maar voor een paar seconden.

Ooit zal die dag komen, maar voor nu ben ik gewoon een man. Een man die dobberend de week oversteekt. Maar als je terugkomt dan misschien. Dan leer ik misschien wel zwemmen.

Het licht brandt in onze kijkdoos

In het knielen van de avond fiets ik langs verlichte huiskamers. Glas omkadert het warme geelrode licht wat door voorruiten op de straat valt. De voyeur in mij steekt de kop op, terwijl de donkerte contouren schetst die me naar binnen trekken. M’n blik glipt naar binnen langs cactussen en porseleinen Tiroler taferelen. Voorwerpen gedrapeerd op bestofte vensterbanken bungelend boven vergeelde vitrages. Ik piek zo met een vaart langs verschillende schijven van de kijkdozen heen.

Ik ontdek verschillende opstellingen. Eettafel aan de ene, televisie aan de andere kant van de kamer. Een waaier aan kleuren, maar door de band genomen vrij beschaafd. De scenes net goed, alsof van boven een melodramatische sfeer gecontroleerd wordt. Een beetje meer kamerlamp op deel twee, ietwat minder spots op spelend grut. Schouwspellen voltrekken zich achter de bloempotten en plateaus vol welriekende kaarsen. Een woonkamer komt in niet heel erg veel verschillende smaken in deze wijk.

Verschillende podia ontstaan, figuren spelen schaduwspellen via de wanden. Onzichtbare touwtjes laat ze flaneren over de vloeren. Onderweg spreken ze elkaar aan, met verschillende motieven. Eéndelige pakken vloeien tot een enkele vorm samen met de bank. Een bakje eten op schoot, of gewoon op een stoel aan tafel. Gloeiende schermen vlakken anders zo mooi roze gezichten af met een blauwige gloed.

Wellicht spelen er kinderen, of worden er ruzies uitgevochten. Blauwe enveloppen opengetrokken met slecht nieuws. Lachend om elkaars grappen misschien, met een glas wijn alleen op de bank. Of enkel wat heen en weer swipen op een stukje glas met internetverbinding. Eerder gedraaide scripts, of compleet nieuwe stukken. Allemaal in hun eigen kijkdoos, voor mij om langs te razen.

Zo ben ik ook redelijk verlaat, onderweg naar een voorstelling. Ik zie dat de lichten in onze doos al branden. Een plek voor anderen om naar binnen te kijken, maar enkel een kaartje op de achterste rij krijgen. Schaduwspellen laten ruimte voor de verbeelding. Ze bevestigen de doodnormale opstelling van onze kijkdoos, waar voor ons altijd het licht zal branden.