Er loopt een Kees tegen hem

Hij zo rap de Sjaak, want
een tikje nieuwsgierig.
Keek te lang naar buurvrouw,
vond buurman minder plezierig.

Hij geen Jan met de pet,
toch een hele Klaas.
Buurman greep naar de koevoet.
Zo loopt een Kees tegen ’n dwaas.