Ervaring in De Kennismaking

Een vrouw met een kaalte als ware Moses zelf er tussendoor gelopen rilt in haar vilten bodywarmer als we door niet voorziene vertraging later dan gepland de zaal binnen stappen. December zuigt alweer ijspegels aan de dakgoten en een zucht winternat sluipt achter ons de hal in. Ze drukt me bots twee kaarten in de handen, gevolgd door een ‘We beginnen over twee minuten. Als u snel bent hoeft niemand te wachten’. Theatermensen, met hun wonderlijke gave genoeg lucht in een verderfelijke opmerking te kloppen. Met hun woorden als spatels en hun grote gebaren. Of we snel willen plaatsnemen, er zijn nog twee lege stoelen achterin. Tijd zat om de bar te passeren. Als onze jassen aan twee ijzerdraad hangers in de garderobe bungelen, sjouw ik in mijn vrouws kielzog twee longdrinks prik de zaal in. 

Iemand van de feestcommissie moet een half uur geleden de verwarming aangezet hebben. De radiatoren borrelen als feestdagdarm en dreigen de man voorin uit karakter te bubbelen. Zij houdt haar sjaal aan, ik haar tas vast. Iedereen houdt zijn sjaal aan of grijpt haakt in bij iemand die dat ook doet. Op een avond dat het dorpshuis zich opdoft als theaterzaal, kan dat. Carnavalsvlaggen overlappen foto’s van een scoutingkamp, zomer ’05. Een verzameling glimlachen in groeispurt, waterijsjes in de hand. 

Een vrouw met een gezicht zacht als boter wenkt ons naar twee lege stoelen, klopt zachtjes op een zitvlak. Mijn vrouw neemt eerst plaats en ik sluit de laatste rij af op de buitenste stoel. Knik wat, strooi wat hallo en gedag. Naar de vrouw met het botergezicht, naar de twee identieke polo’s van de techniek. Er wordt gefronst, wijsvingers tegen strakke plezierloze lippen gedrukt. Dan maar gauw de armen over elkaar, een duim omhoog. Wat mij betreft kunnen we. 

De spreker stamelt voorzichtig zijn eerste verhaal in. Hij beweert ervaringen te verkopen, tilt vervolgens zijn stem de grond af tot hoog boven de overwegende matgrijze haren. Een podium ontbreekt. Hij maakt zich breed als een buffetkast, houdt zijn adem in en haalt zo de missende hoogte in. Wat gekuch, een nies in een katoenen zakdoek. Even wankelt hij, knijpt een oog dicht naar de eerste rij en begint aan zijn eerste vertelling. Het rinkelt woorden. Scherven om ons heen. 

Als een arend die door de lucht glijd daalt hij neer met gestrekte vleugels. Scherpe klauwen naar beneden gericht, de daling ingezet. Een uitsmijter tijdens de kennismaking, treffende kwinkslag als deksel. Zeker niet slecht. Toevalstreffer of aardig begin. In mijn tijd kreeg je hier niet de handen voor op elkaar. Je was blij als iedereen op zijn plek zat en niet meer bij de bar stond te drammen om aangelengde bolglazen. Alles is tegenwoordig vrij van zichzelf. Op pad iets nieuws te worden. Vrij van alcohol, vrij van suiker, vrij van plezier. We kijken naar iemand die grandioos zijn best doet een ervaring te verkopen.

Dat is al een ervaring op zich. 

Begin een weekend met noten

Een week laat zich vangen in vijf dagen koorddansen tussen uiteindes van zondag en vrijdag. Tussen de muren van ons huis spant zaterdag slapjes. Waar we – naast zuchten – ook eens kans krijgen in te ademen. Om met comfortabele wandelschoenen eens buiten te treden, mochten we dat nodig achten. Om voordat de maandagochtend op de mat valt, de koppen van een voorpagina te halen. Om met je vingertop langs de rand van een goed gevuld ontbijtbord te wrijven. Ergens wordt over een paar uur broodjes gebakken. In een mandje gestopt door een paar armen met ovenwanten aan de uiteindes en tot bij een stel opgetogen gezichten gedragen. Het liefst aan een voeteneind van een beslapen tweepersoonsbed. Vochtig van wat de nacht achterliet. Een plaats waar een hond ligt te slapen. Waar mensen komen om lief te hebben, om afscheid te nemen.
Over een paar uur helpt de buurvrouw haar slaperige dochter in de auto. Om haar in een uur tijd naar een enorm azuurblauw bad in de stad te rijden. Haar daar tussen twee strak gespannen touwen met plastic ballen, in een baan te zien duiken. Zichzelf in een kuipstoeltje op een tribune in de kleur winnaar te laten vallen. Om daar een wedstrijd randen aantikken te volgen, als een ernstig langzame tenniswedstrijd. Een strijd die meer doet voor háár droom dan die van de dochter. Aan haar nagels te bijten als niemand kijkt. Zichzelf af te vragen wanneer zij haar dromen kopje onder zag gaan. Of sterker nog, vrijwillig verdronk.

Ons dorp telt veel van dit soort mensen.
Zie mij. Ook ik ben aan stukken geslagen.
Toch, ik ben een goede ouder.
Ik ben een goede ouder, toch?

Het is een paar minuten voor half zes als moeder de pannen in de keuken van afgelopen avond staat af te wassen. Zowel vader als ik gapen de slaap uit onze ogen. Ik hoor hem geluid maken in de kamer hiernaast. Ik wrijf wat opgedroogd kwijl uit mijn rechter mondhoek en zie dat de vrieskou het weekend gehaald heeft. Een boeket ijsbloemen grijpt zich vast aan de binnenkant van mijn slaapkamerraam, ontneemt me het zicht op de eikenboom. Met wat eigen warmte smelt ik de kristallen en adem een paar keer goed uit tegen het glas. Net genoeg maar wel tot ik er licht van word in mijn hoofd. De resterende rijp krab ik er met een van mijn langste nagels van af. IJs wordt water onder het witte maantje van mijn nagel.
Ik kijk naar de ranke takken waarop een wolk kraaien rust. Altijd diezelfde vijf kraaien. Hun koppen diep verstopt onder hun vleugels, hun lijven stokstijf tussen de eikels. De kraaien hebben het goed deze ochtend. Van hen wordt toch niet zoveel verwacht. Wees een kraai, een vogel om tegen te schreeuwen. Je wappert eens links. Je wappert eens rechts. Niets aan de vleugel. Rechtop als kaarsen op een altaar, je veren slijpen aan een scherpe winterwind. Het zal wel iets te maken hebben met het botje in hun oor. Een luchtbel in een waterpas.
Nog een paar tellen en dan komt de mevrouw van nummer drie – van wie niemand de naam weet – door haar voordeur naar buiten. In haar ene hand een bakje macadamianoten, een rolmaat in de ander. Kleine roze sloffen met hondenoren aan haar voeten. Een paar tellen later komt de mevrouw van nummer drie – van wie niemand de naam weet – inderdaad de kraaien voeren. Ze legt de noten op een rijtje in een geul tussen twee stoeptegels. Krabt het nodige mos weg en meet de afstand tussen elke noot. Precies vijf centimeter. Ze rolt de rolmaat, zonder vrees voor haar vingers, in een vlotte beweging dicht. Het is ten slotte maar een klein stukje. Seconden later laten de kraaien zich een voor een van de tak rollen. Bonte straaljagers van vogelvlees. Met hun zwarte veren richting de hemel, in vrije val tot net boven de grond. Met hun snavels pikken ze naar de noten, die inmiddels onder de tegels verstopt raakten, ontwricht door de wortels van de eik.
Een buurman besluit het stof van zijn trombone te poetsen en schuift daarbij de rest van de wijk wakker. We raken gauw gewend aan zijn schallen en langzaam zuigt de baksteen zich vol met zijn vingeroefeningen. Moeder droogt de pannen af met het nodige gekletter en ontsteekt een eerste sigaret. Vader buigt zich over een ochtendkrant en haalt het tot voorbij de voorpagina. Voorzichtig vraag ik om een abonnement banentrekken, zoals het meisje van de overkant. Of het volgend weekend eens kan, misschien. Het is toch wat veel gevraagd. Ik meet de afstand tussen mijn vragen. Precies vijf dagen. Hier geen chloor of gevouwen deeg uit de oven. Een vreemd huis riekt binnen een paar uur naar weekend. Ik rol mijn poging voorzichtig op, kijk uit voor mijn eigen vingers. Stop ze diep in mijn binnenzak. Eenmaal slap gespannen tussen de muren van ons huis, is het toch weer ieder voor zich.
Een weekend als elk ander.

Vriesvrees

De dag wast de glim van zich af en plant
aan de eind van het gras al haar sterren.

Kastanjekauwers verzamelen om een wak
om in donker wat kikkers te tellen.

De nacht kraakt als enkel glas
wast het rood in het blad van appel.

Deken is mijn schutkleur als wapen tegen
de morgen de ochtend de vroegte.

Vriestij die neerslaat in gaten op aarde
in opengevouwen akker.

Stilte maakt nest in mij als de koekoek
in een kamer tot de rand vol met vreemden.

Torenwacht

We nemen het meest uit een holle hand. We gaan er van
met onze armen op de rug lopen, op zoek naar uitleg
op van die kleine bordjes — museumtempo.

Vergeten naar voorbijgangers te zwaaien. Te vragen
hoe zij de zomers doorkwamen, we briesen
naar het bladmoes wat de straat verstopt.

Binnen is het vaak warmer. Waar twee dingen wonen
waar je nooit naar grijpen zal als ze vallen.
Ten eerste het bestek van iets overgroots

want het vele zeer wat ze open rijten. Zo ook
al het kleins wat in twijfel onder het donker
volmondig over je lippen rolt.

Vouw je hand om hun materie — de vele korrels sorry
waaruit je dagen boetseert tot stapels. Zet ze naast je
en raak elkaar als torens.

TOT DE WIELEN DE OVERKANT RAKEN 

Schrijf nu toch eens verder aan dat verdomde boek.

— yours truly

Het begin van een verrote dag laait op uit het einde van elke vorige verrote dag. Met een ongeëvenaarde traagheid til ik mijn hoofd van het kussen en tuur naar de ranke takken van de eikenboom waarop een wolk kraaien rust. Met hun koppen diep verstopt onder hun vleugels, rusten ze stokstijf tussen de eikels. De kraaien hebben het goed op maandagochtend. De kraaien hebben het goed op elke ochtend. Rechtop als kaarsen op een altaar, hun veren slijpen aan een scherpe winterwind. Het zal wel iets met het botje in hun oor te maken hebben. Zo zichzelf corrigeren als de luchtbel in een waterpas. 

Nog voor ik de kans krijg de wekker uit te drukken, ritst moeder de warmte van onder mijn deken. Alle wol valt in een vlotte golf op de grond. Met grote passen stampt ze richting de keuken. Opgerold als een pasgeboren woelrat wen ik vanuit mijn krappe kinderbed aan het knipperende peertje. Langs het gordijn zie ik vader gebogen over zijn krant, ellebogen gevlekt door het asgrijze papier. Met de grootste voorzichtigheid opent hij enveloppen terwijl hij slurpt aan een mok oploskoffie. De petroleumkachel in het midden van de vloer pruttelt. De dikke lucht gevangen onder de pannen toch het is te koud om een raam op te zetten deze maand. Het dak kreunt tot in haar nok door een inbeukende westenwind. Vader tilt nog een lading brieven op de eettafel vanaf de versleten vloerdelen onder de keukentafel. 

Moeders voetstappen naderen voor de tweede keer. Met haar struisvogeltred. Met haar hoofd zo recht op haar nek, alsof er een ijzeren pen in haar strottenhoofd steekt. Met haar armen, gekortwiekt tegen haar lijf. Met haar ellebogen in de lucht die ze droog en ijl achter zich laat. Schichtig om zich heen kijken, speuren naar denkbeeldige roofdieren. Ik haar enige ei dat ze tien jaar geleden uit haar schoot liet vallen en nu al lang vergeten is warm te houden. Ik vraag me af of ze weet hoe een omhelzing werkt. Dat gebogen armen mensen naar elkaar toe kan brengen. De laatste keer dat ik haar probeerde te omhelzen was als vastklampen aan een strandpaal. Het soort vol pokken, nat en koud als herfstaarde. 

Moeders voetstappen stoppen net voor het gordijn en ze schuift me een tot de rand toe gevulde emmer toe. De spons tikt zachtjes de randen aan. Mijn ogen wennen aan het licht van een enkele zonnestraal die het water breekt. Aarzelend kijk ik over de rand van mijn bed, tijd om een laagje van mezelf af te wassen. Het water lijkt anders vandaag. ‘Wat gebeurt er Arne? Koudwatervrees? Kom op, stel je niet aan. Over tien minuten ben ik terug.’ Moeder beent de keuken in, zuigend aan een sigaret. 

Voor ik kopje onder ga, kijk ik door het raam. Het uitzicht over lege velden, de rijen huizen met haar mensen als speelgoedsoldaatjes. Pogingen er wat van te maken, breekbaar en klaar om uit elkaar te vallen, op en neer met de bus naar de grote stad. In de avond keren ze terug van de fabrieken, elke dag een stukje doorzichtiger. Hier in Brussels laten we onszelf graag ergens achter. 

Aan de overkant van de straat de kruidenierszaak van Suzy en Bill, waar ik snoep koop met de enkele dollarcenten die overblijven nadat ik duivenvoer gekocht heb. Verderop ligt de garage van Deacon – de laatste stop voor het grote niks – de plek waar ik vorige week nog een aangereden hert vond. Brussels kent verder geen verenigingen. Toch wordt in Al’s kroeg het einde van de week en het aanbreken van een nieuwe gevierd. Ook al zijn ze identiek als de eindes van een worst. Tegen sluitingstijd danst zowat iedereen laveloos op tafel en flikkeren de olielampen op hun laatste druppels. In een dorp wars van regels, vlucht de moraal al gauw een vol glas in. Ik denk niet dat vader en moeder dit weten, maar ik ben er al lang achter waarom het de Amerikaanse droom heet, je moet namelijk slapen om er in te geloven. Zij houden liever in tegenovergestelde richting de moed hoog. Vader praat het liefst over zijn duiven en moeder heeft haar sigaretten, beiden ongefilterd. 

 Moeder roept vanachter het aanrecht, waaraan ze broodtrommels vult voor mij en vader. ‘Ben je al begonnen, Arne? Of moet ik die emmer over je kop legen? Zoals ze dat bij de varkens doen. Arseen, zeg jij er ook eens wat van.’ 

Vader kucht wat letters langs de pijp in zijn mondhoek. Zijn gemompel zacht als de pluimpjes tabaksrook boven zijn hoofd. ‘Nou, je hoort het. Je vader denkt er net zo over. Je komt nog te laat voor school, met dat getreuzel van je.’ 

Met een boogje laat ik me uit bed vallen en schuif in mijn knellende pantoffels. De kou slaat me om het lijf als de wind het gordijn opzij duwt. Slaapdronken schuifel ik naar de emmer met in het midden de tot stilstand gekomen spons. Ze is tot op het laatste gaatje versleten. Het water heeft een lichtbruine kleur, ook al pompt vader het elke dag aan de pomp van de buren omhoog. Eerst het gezicht. Altijd eerst het gezicht. Daarna pas de onderkant. Ik spiek de keuken in en zie vader zijn laatste envelop openen, degene met de stempel van de Post. Hij vouwt het briefpapier open als ware het van het fijnste bladgoud, houdt het als een donzige babyduif in zijn vingers. Zijn handen lijken heviger te trillen na elke letter. 

Even lijkt vader zijn tranen in te houden, waarna hij mijn moeder naar zich toe wuift. ‘Francine! Het wordt de overkant! Pak je spullen en roep Arne, we vertrekken direct. Alles is geregeld!’ Hij stoot zijn koffiemok om en stampt alsof er niet gebeurt is door de lauwe prut. 

Moeders ogen lopen over van verlossing. ‘Eindelijk weg uit dit stinkhol.’ zoals ze onze bovenverdieping zo liefkozend noemt. Met een enkele ruk tilt ze haar koffer vanachter de bank, ingepakt en wel. ‘Wanneer vertrekken we?’, het mes waarmee ze brood smeerde nog in haar hand. Hetzelfde mes waarmee ze vorig jaar nog midden op de Hoofdstraat stond te zwaaien. Daarmee de enige straat van het dorp. Iedereen had haar dus gezien, het was uitermate gênant. Stond ze daar bovenop een vuilniscontainer – midden december – verwensingen richting een waterkoude sterrenhemel te schreeuwen. Moeder temt haar demonen op haar eigen manier: ze duwt ze onder in single malt of laat ze uit in scheldtirades. Andere moeders bakken taart. Nu is de dag waar ze zo driftig op hoopte eindelijk aangebroken. 

Ik staar naar mezelf in het scherpe water en voel mezelf losweken uit Brussels. Uit dit huis. Onwetend over de overkant. Ik plaats mijn handen op de rand van de emmer en ga onder, blijf daar en open mijn ogen naar de binnenkant, tel de bubbels die uit mijn neusgaten omhoog borrelen. Uit wat voelt als een andere tijd en ruimte, word ik terug het droge op gesmeten. Ik lig languit op mijn rug op de houten vloer, mijn wangen gevangen als in de kaken van een krab. Moeder pint me vast en briest in mijn gezicht. Een teug lucht spert mijn longen open, die als twee warmwaterkruiken opgeblazen worden. Langzaam, pijnlijk. Er was stilte op de bodem. 

‘Wilde jij hier nog even het loodje leggen misschien? Wat bezielt jou?’ Moeder staat over me heen gebogen, ik vleugellam tussen haar benen. Achter haar haren, dun als vlas, ligt een rij doffe tanden verscholen, resten mueslireep in de gaten. Ze verslapt langzaamaan haar grip. ‘Jij gaat dit niet verpesten voor mij, knoop dat maar in je oren.’ Ze verdwijnt tussen de gordijnhelften, die ze bijna van de reling trekt. In de woonkamer hoor ik haar wat prevelen over de inrichting van onze nieuwe huis. We laten het merendeel van onze spullen namelijk achter. Los van blikvoer, boeken en kleding, is leegte toch het eenvoudigste te verhuizen. Het woont in een mensenhart. De vraag of het zich ooit weer volzuigt, is iets anders. Uit de kast pak ik de de zwarte broek en zwarte trui die klaarliggen voor de verhuisdag. Mijn nette zondagse sokken en zelfs mijn jasje hangt al klaar. Nooit een tweede kans om een eerste indruk te maken. Het is niet zomaar dat een familie door de Post naar de beloofde overkant gestuurd wordt. Zeker niet uit deze streek. 

Ik schrik op als ik een hand voel. De geur van vanilletabak in de afdruk op mijn schouder. ‘Aan de overkant wordt alles anders, jongen. Geloof me. Je moeder vindt het ook spannend. Wij Molenaars zullen de wereld sluiten de wereld aan. Het is onze roeping.’ Ik haal mijn schouders op en sluit mijn koffer. Met de riem strak om het midden, is het praktisch uitgesloten dat mijn postkaarten in het ruim van het vliegtuig zullen rondzwerven. 

Bij het zien van het weinige wat ons samen doet klonten woelt een draaikolk in mijn binnenkant. Gek hoe alles wat er toe doet tot drie middenformaat reiskoffers gereduceerd kan worden, de handen die ze tillen en de daaraan grenzende lijven die ze dragen. Vader wrijft me door mijn krullen en moeder wappert sigarettenlucht bij haar gezicht vandaan met de vergeelde brochure. Het soort met schreeuwerige verkoopletters op de voorkant. 

WELKOM IN WELLENBERGSCHEM 

PAREL VAN WEST-VLAANDEREN 

PROBEER ZEKER EENS ONZE BLOEDWORST 

Aan het zelfvertrouwen zal het niet liggen. Toch, dierenleed promoten in een slagzin, is andere koek. Worst, welteverstaan. Onder de leus prijkt een foto van geheimzinnig lachende mannen en vrouwen met half volle bierglazen in hun hand, fier overeind op een rijtje voor een immense papier-maché praalwagen in de vorm van een machtig grijze postduif. Op tractorbanden, welteverstaan. De verentooi op hun hoofd – wazig op beeld gevangen – wappert in de wind. Achter de groep lachebekken vervagen de eindeloze bloemenperken in de achtergrond. Als waterverf in een van moeders aquarellen. Ik weet niet hoe het gesteld is met de moderne techniek in België, maar dit ruikt naar een knap staaltje fotobewerking. Met alleszins meer kleur dan alle kale velden rond Brussels samen. Vader schraapt zijn keel en slikt wat tranen weg. 

‘Die duif gaat ons redden, jongen. Ik voel het gewoon. Je denkt dat pindakaas en jam het einde is, wacht maar. Vanaf morgen smeren we alleen nog maar chocopasta.’ Vader gebaart naar de trap en met z’n drieën dalen we de krakende treden af. Dwars door het postkantoor van Brussels – de sorteermachine in ruste – stil zijn al haar raderen. Vader graait in de binnenzak van zijn jasje en steekt mij mijn vliegticket toe. 

‘Hier jongen, goed vasthouden. Let er op. En altijd netjes laten zien als iemand er naar vraagt. Je mag het pas wegstoppen als de wielen van het vliegtuig Vlaanderen raken.’ 

Fruitvliegopinie

(geschreven voor de poëziemiddag van 11 juni op Landgoed Grootstal)

’s ochtends snikt een krantenkop
over de bodem in waterkansdons. ze zakt
tot ver onder de horizon

in wat leek een kikkervisseconde, brak de oever
uit haar voegen. we stutten haar rap met fruitvliegopinie
waar zoemende rot in woont

we zijn gewend van een afstand te eten
morsen liever handwarm water en avocado’s
als schrille troost tegen brandzomers

laat het niet zo zijn toch, dat astronauten de droge lucht
van kelders moeten bewaren voor later
wie heeft toch dat later

het vooruit ligt in het scherp
van bladmosterd en mensenhand, ruimte die zacht
bonkt onder onze ribbenkast

de buurman stopt niet naast je
alles is ook de ander, gewoonweg in een korrel
onder het witte maantje van je nagel

Dit gaat niet over met een storm

De laatste sneeuw van het jaar tikt zilver
munten op het mos van een laat bevroren pad. Glans
(en ook haar waarde) te koud om op te rapen.

Onder een laken zwart en twijfelend met licht
stik ik de grote boze wolf. Middenin in wat leek
een bos volgt een streling langs mijn

verder doodgeboren arm – de spelden
met de scherpe kant omhoog. ‘Liefste,
dit gaat niet over met een storm.’

Ze neemt ze weg en zegt me, ga
slaap nog maar een uur of wat
en stik nietjes in de nacht.

Appelhart

er is plaats onder haar golven
een rust achter de bast.
zondagsogen, glim als knikkers
haar kern een mespunt zon.

zuiver suiker voor de regens
Druppelt uren in de dag.
een mond fris als een waslijn
tussen oren droogt haar lach.

haar licht buigt voor en alle tegens
snippers prisma kerft mijn hand.
mijn tere keert in warmte
naar haar zachte appelhart.

winterweifel

Ze blaast haar wangen bol tot rood
en draagt water in haar wegen.

Even vergeet ze de scherpte op ons voorhoofd
splijt onze vingers tot in twintig.

Het gras grijpt zich vast aan een treinspoor ver weg
en wuift de zee zich tot zomer

zing het een lied
steek je tenen toch al eens onder.

Een bloesem verstikt in haar grillen en laat
zich haar de keel niet snoeren.

Zo gaat het met buiten, je geeft haar een vinger
ze neemt je de hele voet.

in de categorie overig: 

Je verzamelt afslagen naar viaductfeesten en URL’s met recepten 
voor wanneer we naar buiten mogen. 
Verstopt ze onder je nagels. 

Heel voorzichtig – vezel voor vezel – valt onze kroon af. Ze is groen en 
vol mos en heeft tijd gehad zich vast te bijten. 
Mos heeft ook pootjes 

om zichzelf vast te grijpen. Toch, wat heb je aan pootjes 
als je niet lopen kunt. Kijk ons krabben 
aan de binnenkant van onze ogen. 

Oogklep als bladmoes waaraan je nerf noch twijg herkent. We zijn bijna 
onszelf. De kunst een strip woorden uit te drukken en tot een zin 
te slikken zit ver weg. Voorzichtig, 

we zijn lichtwenners. Eet veel groen om dit weer tot een rode binnenkant 
te maken. Iets met het ijzer. Een mens lijdt nou eenmaal aan chronische 
chlorofyllie: een verlangen naar de rand van groen of de rand van een ander 

die verlangt naar de rand van groen. Nippen aan een oog wat zorgt voor 
nog meer kleine groene ogen na een maand of negen. Want zeg nou zelf, 
wie wil nou wél tot de categorie overig behoren? 

Lauwe zomeravonden vol glasgras liggen op ijs en we vinden 
nog maar net de afslag naar elkaar terug. Daar was je gebleven. 
Ik geloof dat ik je dag heb. 

Er komt niemand koffie opgieten

Het bruin wordt langzaam groen en één enkele knop 
schiet uit tot een trots Vlaams landschap. 

Het dapperste grijs opgetrokken uit wolken van sorry-schuddende 
asbest en waarheden als koningen. 

Wat kon het asbest eraan doen. 
We wilden bovenal een onderdak. 

Voor mijn deur wordt een wilg achtergelaten. Lastig tot zijn kern 
te hakken, toch wapperend met zijn dunne armen. 

Hij was een pilaar om tegenaan te kruipen. Ergens 
in de straat werkt iemand aan een uitbreiding van zijn huis. 

Het was er de tijd voor. 
Een mens moet ruimte maken. 

‘Elke leeftijd is een prima leeftijd 
om ergens mee te stoppen’, vond een dokter. 

Nu dan 
ik open de gordijnen. 

Vaal zonnegeel

Met mijn duimnagel til ik glimlachen uit rijpe mandarijnen 
en leg ze in sikkels voor mijn voeten. Oneens 
over welke kant ze op horen te wijzen. 

Het heeft iets te maken met hun sensoren. Soms 
zit je ergens zo lang stil dat enkel schillen 
je nog aan het lachen maken. 

Wacht ook eens in een buurtsuper tot de lampen doven. 

Schuilend voor twee soorten soortgenoten: De ene 
die me aanraakt als ik uit elkaar val en dan het soort 
dat mij uit elkaar laat vallen als ze me aanraken. 

Verwacht van de broodafdeling niet het antwoord 
als ze de hele nacht op hun benen stonden. Het vlees 
scheurt los in meer dan woorden. 

Deel vooral jezelf zorgvuldig in. 

Meer dan de weg naar huis zoek je best 
naar de reden waarom je stiekem een strip pillen 
uitdrukt in je broekzak en wankel het zonnegeel in fietst. 

Elke groep kent altijd iemand zonder accent. Rustig, 
niemand weet precies waar geluid klinkt 
als het eenmaal je oor inslaat. 

Dat is niet zo mijn scheiding

Ze wonen tegenwoordig samen naast 
herinneringen aan water. 

Aan een oever rust sinaasappelpulp, op de bodem van geribbelde flesjes. De randen 
van korte benen en waterschoenen willen een hand als lange benen sprinten 
want een winkel sluit binnen wat minuten.

We zijn op een plek waar geluid elkaar opeet. Woorden lopen door 
zonder oren en onze natte ogen plakken tegen stijf gras in onze achtertuin. 
Er stond een schommel ook. 

Duw me een laatste keer omhoog. 

Ik ben in het allerbinnenste van de grot en durf niet uit te ademen. Ze stromen 
met hetzelfde water maar zijn blind voor elkaars kolken. Zat er altijd al 
zoveel zout op de wanden? 

Jongen, stop nooit meer dan één artikel in een jaszak. Je verliest nog iets 
als je naar beneden kijkt. Er kroop altijd wel iets zijwaarts in mijn hoofd 
maar lopen deed het niet. Jij bent nog te jong om te klagen. 

Als alles spant kom ik ze weer tegen. 

We beginnen ergens op ze te lijken maar bedekken snel onze enkels 
in de delta. Steek toch eens wat op 
van deze mensen. 

Kam hun scheiding goed en vraag ze hun kapsels nog wassen. Het was klein 
huishoudelijk leed. Vrees niet een huis met kurken onderzetters te zijn. Pas op 
voor kringen waarin je niet thuishoort. 

Zet een tent op in herinneringen aan water 
en vertrek voordat het nacht wordt. 

De Dijk

Volgend kort verhaal schreef ik tijdens mijn opleiding aan de Schrijversacademie.

Komt ‘ie!

—-


De Dijk

Met mijn ogen richting de maan wring ik de laatste meters uit mijn benen. In mijn keel prikt de smaak van metaal en mijn wil lijkt los te bewegen van mijn ledematen. Het lantaarnlicht weerkaatst op het natte asfalt en ik weet dat ik nog veel verder kan, twijfel of deze late avond daar het moment is voor. 

Ik schrik en verslik me in het poeltje spuug onder mijn tong. In het licht van de volle maan tekenen zich twee figuren af in de berm. Ze prikken met lange stokken in het hoge gras, de groene strepen op hun zwarte mouwen duidelijk herkenbaar. Wolken warme lucht ontsnappen me en ik schroef mijn tempo terug tot een drafje. Maak mezelf klein achter de bumper van een van de twee zwarte busjes. Iedereen kent de verhalen van de controles op de late avond. Het groen-zwarte lint wappert gespannen tussen de autospiegels. Tegen de richting in gaan is uitgesloten. Achter de busjes klinkt het gekras van dik plastic op het asfalt. Een doffe klap. Iets trekt me dichterbij en ik voel een ijskoude tinteling vanuit mijn nekwervels mijn schedelhelften aaien. 

‘Blijf waar je bent jongen!’ De stem van agent van Zeelt. ‘Wat doe jij hier eigenlijk rond deze tijd?’ 

Het hele dorp houdt zijn adem in. 

‘Ik was een rondje hardlopen en ik ben de tijd vergeten.’ Het gras nat van verwachting wappert in de wind. Van Zeelt verschijnt in de schemering van een lantaarnpaal. Ik aarzel en doorbreek de stilte. ‘Zal ik moeder de groeten doen?’ 

Van Zeelt knikt kort. Zijn lach gesloten en van oor tot oor. ‘Je weet dat je hier niet hoort te zijn, toch?’ Ik bekijk de neuzen van mijn hardloopschoenen, knik en draai me om met de priemende blikken van de agenten in mijn rug. 

Ik vang nog net ‘Precies z’n vader’ op. 

Onder de douche schrob ik mijn lijf zo hard als ik kan. De koude kraan volledig open. De zuurstof verdampt uit m’n longen. Zo moet een vis op het droge zich voelen. Met een knalrode huid stap ik mijn pyjama in. 

In de woonkamer plof ik op de bank en knip de TV aan. Een druppel bloed valt op mijn schouder en ik grijp naar mijn natte oor. Mijn laatste bloedoor herinner ik me als de dag van gisteren. Vader droeg die zwarte jas waarin hij voor het laatst gezien is. 

‘Zeg Menno, waarom geef jij mij geen antwoord als ik wat vraag? Ik roep je al drie keer.’ Moeder staat met een volle wasmand onder haar arm in het midden van de woonkamer. 

Slurpend aan het schuim op de rand van het blikje bier houd ik mijn ogen gericht op het televisiescherm, neem een grotere slok dan ik gewend ben. ‘Weer een bloedend oor zie ik? Doe je wat schoons aan voor je slapen gaat?’ De nieuwslezer spreekt over de ergste uitbraak sinds tijden. 

Er zullen meer dorpen volgen. 

Moeders stem ebt weg in de achtergrond. Langzaam zak ik in een diepe slaap en lijk samen te smelten met de bank.

Ik schrik wakker in een donkere kamer. De wilgen krassen met hun lange tenen tegen het raam. Vermoeid door het huilen van de wind keer ik me om, merk dat ik niet meer in de stoel lig. De geur van dood water hangt in de lucht en dwingt me haar bron te zoeken. Langzaam laat ik mijn voeten in mijn pantoffels zakken en schuifel over de vale vloerbedekking de gang op. Uitgezonderd van wat strepen maanlicht, is het aardedonker in huis. Het gangpad voelt kouder dan normaal. Op het ritme van een kalm pompend hart stroomt er zacht licht vanonder de badkamerdeur. Ik kan niet anders dan er heen gaan, iets in me voelt vaders aanwezigheid. De vloer kraakt op plekken waar ze dat eerder niet deed. Mijn sloffen bewegen stroef, de vloer lijkt te plakken. Een hard zoemen zwelt aan als ik moeders kamer passeer. Haar kamer is leeg. 

Er schittert iets voor de badkamerdeur, gehurkt en blind reik ik ernaar. Een ijskoud stuk schub ter grootte van een handschoen plakt aan mijn rechterhand. Ik veeg het slijm aan mijn mouw. Het zoemen in de badkamer lijkt een hoogtepunt te bereiken. De streep licht onder de deur verblindt me. Aarzelend omklem ik de ijskoude klink, val en struikel over glasachtige halve bollen. Het licht dooft als ik langgerekt op de koude badkamervloer lig. Ik kijk tegen de zijkant van de badkuip aan. 

Een donkere gedaante briest diep condens boven de rand van het bad uit. Wat het ook is, het is bedekt met onze dekens en lijkt te slapen. De geur van rotte vis hangt dik tegen de tegels aan. Het beeld van zacht vlees in ontbinding dwingt zich aan vanuit een herinnering. Op mijn hurken en met mijn ogen op spleetjes herken ik een vin in de contour die over de rand hangt. Ze heeft het formaat van een onderarm. Met een wijsvinger raak ik het aan, waarna het zich met een glibberende beweging terugtrekt. Intens koud deins ik achteruit en val met mijn hoofd tegen de toiletpot aan. De kamer rolt om. Gestrekt op de koude tegels verdwijn ik in een geluidloze draaikolk. 

Het geluid van de toaster maakt me wakker. ‘Godver, niet weer, dat is nu al de derde keer deze week. Hey slaapkop, had je niet kunnen opletten?’ ’ 

Met de nacht nog in mijn botten kijk ik moeder versuft aan. Ze schraapt het zwart van het brood af en bekijkt mijn onderuitgezakte lijf. Er prikt een leeg bierblikje in mijn onderrug. 

‘Heb jij de hele nacht op die bank geslapen? Je had de TV wel uit kunnen zetten. Stroom is nog steeds niet gratis.’ 

Ik onderdruk een frons, twijfel of ze gelijk heeft. ‘Ik lag gewoon in bed. Was jij niet een rondje wandelen?’ Moeder kijkt me met opgetrokken wenkbrauwen aan en kauwt verder op haar geredde toast bekleed met kaas. 

‘Ik zeg het je jongen, je begint steeds meer op je vader te lijken. Hoe meer hij dronk, hoe meer hij ging zien.’ Ze kantelt een onzichtbaar glas leeg in haar mond. 

Mijn handen ballen zich tot vuisten. Het slijm op de mouw van mijn pyjama. Ik grijp naar mijn linker mouw, schoon alsof deze net uit de was komt. Ik wend haar blik af en blaas door mijn neus. ‘Morgen is het tien jaar geleden dat hij verdween. Het lijkt me goed om iets te doen om hem te eren. ’ 

Moeder verslikt zich in een slok koffie. ‘Het enige wat wij samen doen zoon, is het verkopen van die rotte vis in die rotte zaak van die oom van je. Niet meer, niet minder.’ 

Het kan haast niet anders. Ze was vannacht niet in haar kamer, toch? 

‘Dus tenzij je iets zinnigs te zeggen hebt, zou ik graag zo vertrekken naar werk. Oké? Ik zie je over vijf minuten op de fiets.’ 

Vechtend tegen de tegenwind passeren we de laatste bocht richting de viswinkel. Een glinstering in de kant trekt mijn aandacht. Als ik afrem begint moeder te vloeken. 

‘Je bekijkt het maar. Ik zie je daar wel.’ en ze verdwijnt de bocht om. 

Het zweet prikt in mijn oksels als ik mijn fiets in het hoge gras los laat. Ik buk en zak op mijn rechterknie. Een herkenbare tinteling raast over mijn schedelpan. Ik pak het op. De glinsterende vorm rust in de palm van mijn hand, slijm zakt tussen mijn vingers. Het zonlicht weerkaatst op de schub en ik wend mijn blik naar de blauwe lucht, op zoek naar een teken. Aan de horizon dezelfde zwarte busjes. 

Wees een perenschil

Het belooft een leven als een achtbaan. Terwijl
hij omhoog keek vanuit de rij
om kaartjes te kopen.

De eerste maandag in december smaakt naar
zachte kiwi’s die met hun rechterzijde
verraden in welke schaal ze lagen.

Let ook niet op flinterdun maanlicht wat zakt
uit je televisiescherm. Alles valt harder
zolang je het blijft vangen.

Scherp je liever aan een vertaling van ‘leven’
een woord uit een verre taal wat samenvat.
Neem daar iets blijvends van.

Spoor iemand aan dit ook te doen bij die lokale artiest
die ook kersen achter je oor beet.

Nu zijn jullie samengevat in twee woorden.
Het is zo erg nog niet, want sommige mensen
zijn als perenschillen, los ook erg goed te verteren.

Gelezen: november 2222

Morgen verzamelt het grof vuil al onze secondewijzers.
Er wordt niet langer gemeten in minuten om uit te beelden
hoe een stad zo snel kan ontbinden.

Gisteren bleek dat ook de minst getroffen streken,
schakelaars slijten op de zwarte markt.
In de hoop, hoop terug te krijgen.

In het midden van de kamer ligt een dood hoopje
apparaten. Toetsen en draden verbonden – van hun plastic lijf ontdaan.

Groene schermen glimmen onder stadslicht. Nog maar een paar uur
tot het donker. Vonken van machines ratelen
om tot één nieuw bericht te komen.

Een verre afstammeling knippert, typt diep bedroefd symbolen
op zijn zwevend toetsenbord.

Gezocht:
Ronde lichaamsbouw.
Diep blauwe huidskleur.
Donkerbruin haar met
seizoensgebonden gele accenten.

We hadden haar in tijden niet meer gezien.
Het spijt ons.

Of we de posters willen printen
of we onze voeten durven optillen.
Om haar daar simpelweg te vinden.

Vandaag heb ik aan je rand geproefd

Ik heb aan je rand geproefd. Zo protserig
open stond je, met smaak
van vaal oranje bladmoes.

Een getijde op een kiepstand.
Hellend en verdorven
met een lege kinderhand.

De grond verkrampt tot kolen.
Briket als rib gestrekt. Toont haar wikken
in ’s lands gewelven.

Ze strelen resten van water met ambities
om bladveder te worden.
Zichzelf te villen voor later.

Wil je niet liever op de tocht staan vandaag,
zodat je van kurk kan worden, kind?
Toe wacht nog een jaartje met al dat etaleren.

Je lijkt uit zaailing gehouwen.
Er komt wel weer een hellen.
Volgend jaar ligt verstopt in kantel.

Plankenkoorts

De planken dragen een man
die zijn haren kamt
voor het slapengaan.

Stel, de inzameling begint
middenin de nacht.

Schoon. Ze zullen hem
net hebben.

Twee kommetjes
met het natste zout
vloedend in zijn handen.

Waaieren, gietend
over de eerste rij met regenscherm.

De man begint
daarmee
einde.

Na afloop lacht iedereen
de man uit vanaf hun stoel.

‘Is het oké om nu te gaan.’
‘Nee pas bij de afloop. ‘

Ze wachten netjes
tot ver na afloop.

Iedereen zit nog.

Winterochtend

Het zonneglas snijdt elke ochtend vroeg
het vlekt rood glorend onder onze zolen

Dampende gaten melden aanwezig stil loeiende koeien
als tanks opdoemen op donkere velden

Het was hier anders toen krakende fietswielen
tot stokslagen konden uitbollen

Aan ons een dans te ontspringen
maar we weten niet meer hoe vluchten rent

Hoe voelt verstoppen zonder buut
als nergens in een veilig woelt?

Broekzakzand

Ben van hier
Of d’n overkant
Bewoon zilte bodem
Laag in Nederland

Trots boven water
Breken dijken krakend
Moed houdt stand
Overeind onder daken

Liefde voor de stranden
In ‘n half woord begrepen
Zorg aandacht mensenwerk
Staan op verdiende strepen

Schitterend met zout
Soms grof van korrel
Neem me wel serieus
Als slok op ‘n borrel

‘T zit in m’n broekzak
Gekoesterd bij vertrek
Herken je in de korrels
Op meer dan één plek

Afkomst

Meng zilt duinzand
vogeltrek
met miezer

Honing in distel
prikkel
en kiezel

Loop om de koffie
schep bodem
tot gruis

Drink aangelengd met lepels
anders tot
een thuis

Kookkeerpunt

Mijn golf kookt niet meer in een keren
Het tij kijkt jouw oog stug toe forceer vlug
tot aan de waterrand

Ik keer koprollend op elf februari
de waterdruppels zijn spaarzaam
en smelten zo een kribbe in

Het chloor prikt in kookpunten
Stoom wolkt schoorstenen
tot ver boven mijn oren

Wees droog vandaag een kind vandaag
We hebben al te veel vocht verloren
Toch kabbel ik door

Bonsaiboomkijktijd

Onlangs schafte ik een boom aan. Het soort wat je dwingt 
klein te blijven zonder dat het rebelleert. Het houdt 
geen dagboek bij over baas in eigen bast zijn of over 
de mogelijkheid zijn bladranden te slijpen 

zodat ik mijn vingers eraan zou snijden. Er zit een zekere traagheid 
in zijn reikwijdte en ik speur hard naar metaforen over 
kostbaar klein leven maar verval in clichés geput uit Wikipedia- 
gegevens over vruchtbare gronden en mestkevers. 

Naast de boom zou ik een Instagram-account onderhouden. 
Omdat zijn groei zich slechts traag laat registreren 
zou ik over een jaar of drie pas weer een waardige post 
met jullie kunnen delen. Daarvan kreeg ik het benauwd 

wat nou als Instagram stopt met bestaan over een jaar 
of drie. Wat dan met al mijn content en wat dan met de boom
in het algemeen. Overleefd hij het wel tot die tijd anders
sta ik mooi voor paal en heb ik al mijn trouwe volgers 

hun bonsaiboomkijktijd vergald. Aldus geschiedde 
geen eigen kanaal wel een update vanuit de boom:
‘Het gaat goed met me.’ Mijmerend aan zijn wortelvoet 
schreef ik een gedicht voor hem het gaat als volgt: 

Larix kaempferi 
leef
langer 
kort 

Driepuntsgordel

In een verwoede poging wat tastbaar te maken start ik een grondige zoektocht naar de perfecte all-in-one printer. Na een halve dag zoeken besef ik dat een mensenleven rijker is door unboxing video’s van Sjors75. Ook dat 34,5 ster voor de bekroonde koploper op het gebied van NFC-printen een goede richtlijn is. Stuk voor stuk puik gewicht in de schaal, als je weet waar je naar op zoek bent. Anders voelt het maar verwarrend als pepernoten strooien in december. Ik staak de zoektocht en ga op zoek naar 3D-contact.

Bij het naar buiten lopen zie ik de buurvrouw driftig boodschappentassen uit haar Panda tillen. Het zijn het soort waar ik zo van houd. Stevige linnen met lange hengsels waaruit grote pluimen wortelgroen hangen. Een XL-zak aardappelchips tekent zich af in mijn oorschelp. Zijn verre neef met iets meer kruiden, ligt half aangebroken in ons keukenkastje. Beschaamd veeg ik met de buitenkant van mijn mouw wat paprikapoeder uit mijn mondhoek. De tijd knettert harder met tegenstrijdigheden. Het is ten slotte al half 11 ‘s ochtends. 

‘Hey buurvrouw, je gordel zit nog tussen de deur.’

Ik denk aan die keer dat ik als tienjarige jongen mijn moeder in de haast het hoofd van mijn broertje tussen het portier zag verstoppen. Ze klemde twee rode sleutels met anti kerntrek-functie in haar mond en had ze van schrik bijna ingeslikt. Ze wilde vast haar eigen mond dicht draaien. Gelukkig trok mijn moeder hem tegen haar warmte aan en was het na tien minuten weer over. Er was nergens bloed maar tijdens de middagpauze had ik hem mijn helft van de chocoladereep gegeven.

‘Oké, dank je wel!’ 

bromt ze achter een toefje loof vandaan, en trekt met een ruk en zonder kijken het portier opnieuw achter zich dicht. Ik verdwaal nog even in het woud van dennenboompjes rond de achteruitkijkspiegel. 

‘Wist je trouwens dat de uitvinder van de driepuntsgordel, Nils Bohlin, een jaar werkte aan deze uitvinding? Tot die tijd maakte hij schietstoelen. Stel je voor dat hij ze combineerde en in deze Panda stopte.’ 

Buurvrouw kijkt me glazig aan en sjouwt drie grote tassen de oprit op. Ik had me nog zo voorgenomen mijn enthousiasme voor onzinnige weetjes in te perken. Ik wil langer dan vandaag semi-transparant in deze straat vertoeven. Om zo in een driepuntsgordel van wortelloof, XL-zakken chips en een all-in-one printer even vast te hangen in de schietstoel van de tijd. 

Hopende dat mijn gordel er losjes bijhangt, als het tijd is uit te stappen. 

Op straat: dansen om het karkas

Mezelf van bureau naar keukentafel en terug sjouwen maakt de lucht stijf en dwingt me iedere dag op dezelfde tijd naar buiten voor een rondje door het dorp. Verderop speelt de buurman een potje stoepranden met zichzelf. Hij gooit de bal, de rand geeft antwoord. Een eenvoudig spel wat er voor zorgt dat hij de nare gedachten richting zijn thuisblijvende kinderen op tijd uitroeit. In het naderen is het hem al vier keer gelukt. Achter hem in de betegelde voortuin omklemt zijn vrouw een bak gemberthee. Ze heeft haar laptop op schoot en de headset op.

‘Kun jij de targets van Q4 nog in het slide deck stoppen? Ik heb het idee dat deze het board echt over de edge zullen helpen.’

Een jaar geleden was dit een volstrekt futuristisch beeld. Nu vraag ik me alleen maar af hoe de rand van Q4 er uit zal zien voor de buurvrouw en of het samenvalt met het stippen zetten van buurman.

‘En buurman, al gek geworden daar binnen?’

Ik haal vragend mijn schouders op, en roep zijn bewegende lippen een halt toe. Ik plug mijn interesse in op nummer 7, pauzeer de podcast over een ecologische aanvliegroute voor corona en de wereldeconomie. De buurman herhaalt zijn vraag.
‘Ach, binnen de muren van ons huis is het goed vertoeven. Het is in het schedelpannetje dat het wel eens nauw wil worden.’
Ik tik twee keer kort met mijn wijsvinger tegen mijn slaap aan.

‘Helemaal juist wat je daar zegt.’

Ik blijf op gepaste afstand, want de buurt volgt met microscopische lenzen en microfoontjes elk gesprek. Na het mondiaal op de pauzeknop rammen is me duidelijk geworden dat we terugvallen tot de essentie. Interesse tonen in elkaars holen en de manier we ons daar in en rond bewegen.
Buurman trapt uit kolere de bal met een mokerslag tegen de stoeprand, waarna deze tegen de stoelrand van de buurvrouw op knalt. Thee gutst over de rand van haar #girlboss-mok, zij slaakt een gil maar haar hand lijkt ongedeerd. Hij schrikt van zijn doen, maar buurvrouw zoekt geen toenadering. Ze sprint naar binnen, en knalt de deur achter zich dicht.

‘Gelukkig heb ik de sleutel bij.’

Buurman zucht zich een weg richting een gesprek. Ik trek m’n wenkbrauwen op met holle handen, mijn schedel open voor zijn relaas.
‘Kijk buurman moet je horen. Je weet dat ik m’n brood verdien als documentaire fotograaf, niet? Ik heb al weken geen plaat gemaakt. Ik kan nergens heen. Hier en daar een klus voor het lokale suffertje is geen walhalla, geloof me. Maar het betaald wel de rekeningen. Snap je? Ik word letterlijk gek hier binnen.’
Ik knik, zet een stap in zijn richting.

‘Buurman moet je horen. We dansen allemaal om de karkassen heen. De kop en staart zitten er allemaal nog aan, alleen beweegt het al lang niet meer. Dus trek maar goeie dansschoenen aan. Al eens aan een podcast gedacht? Die schijnen het goed te doen nu.’

Hij kijkt me glazig aan en mist een terugkaatsende bal. Een bloedneus vlekt het leer rood. Geraakt door het karkas, want het wil nog bloeden, ook al begint de temperatuur stevig te dalen.

‘Ik zou de buurvrouw maar even naar die neus laten kijken. Goed, ik ga maar eens op huis aan. Een potje tafelranden met mezelf afmaken.’

Voordragen

oplettende letterslingers
de klanken willen in formatie
loslippig trillen papieren praatpapillen

wijzen naar de gapende oor-uitleners of
stoelrand-hangende-glaasjes-nippende-fluisterende klagers

omdat dit heus geen keus was en vroeg
of later baadt het niet
bestaat het meer in een minderte
dit start ver buiten jullie lijven

minder het geluid van mijn stem trok mijn kapsel
fans of omdat je simpelweg een avondje
aan ‘t vergeten bent

dichterlijke vrijheid rijm zo woorden gespreid
liters gelijmde vlijt met ogenschijnlijk wat
bescheidenheid

oost west achter tussendoor woorden
dragen die alleen ík het allerliefste hoor

sta in mijn vlees en water
op wat later dit podium bleek te zijn

kijk mensen zonder janken genageld
hier zo op de latten
jullie strekkende aantallen
wapperen met gebaren langs flanken

nagels tikken mijn tijd is om
presenteer de waaiers en maak
klanken waarmee wij elkaar nu heel
hard zouden kunnen bedanken

het publiek klapt de oren doven
iedereen blijkt weer thuis

Euromuntjes sparen

Vooraf blazen we sorry voor ons plat zijn,
het is om praktische redenen.
Mevrouw verstaat u mij, u mag
uw plaatje naar mij toe keren.

Helaas,
in de massa van onze multomap,
zijn de gleuven al lang vergeven.

Volgende alsjeblieft.

Op de zijkant stapelt beter.
We bestaan uit dezelfde materie,
dat is toch ook een taal?

Kruidenierszaaktransactie

Aan het eind van een korte
kruidenierszaaktransactie,

klept de verkoopster zo vriendelijk,
was dat alles? Mijn reactie:

vlijtig wijd ik uit over
de mensen in de soorten en de

maten waarin ze komen, wat als
nou zo, of nog een tweede oerknal?

Een rij over de stoeprand zichtbaar
aankomend trammelant, sluit zij

de transactie met: meneer, morgen koopt u
maar ergens anders uw krant.

Okselkuur

Kruip in m’n oksel, het is er
warm onder mijn geitenwollen trui.
Geeft het leven je de brui, ben
je hier niet vleugellam.

Kruip in m’n oksel, het mag er
wel wat rieken. Dat is nou
eenmaal de man die rijpt
op een leeftijd onbepaald.

Kruip in m’n oksel, het kan er
veel langer dan een uur.
Blijft daarna een sterk verlangen,
schrijf ik voor de okselkuur.

U ook weer hier

Goeiedag, hallo u ook weer hier,
het is prachtig weer vandaag.

Ja deze hoed staat u beter ach
kijk die snoet hij doet echt niks,
alleen de buurman wil wel eens blaffen.

Niet allemaal,
de meeste die willen wel
eens even met je kletsen.

Toch het went, als enkele vent
rugwaarts op fikkie gaat staan wachten.

Goeiedag, hallo u ook weer hier,
het is prachtig weer vandaag.

Een antwoord heel voorzichtig.

Een aflaten

Onze armen half onder het oppervlak want we zijn boeien. Vanaf je middel tot de tenen lijk je een afzinken met het anker dat trekt aan je voeten. Korte dagen vermageren, we kunnen niet in het donker scheppen en ook niet veel dieper, we worden moe maar dat begrijp je. 

Het is geen gebrek aan spades of houwelen. De laatste technologieën bedienen ons tot op de bodem. Het is het vastklampen aan de korrels, want wat glijden ze hard door onze vingers. We wisten niet dat een stroming zoveel harder trotseert. Schelpenschilfers krassen, onderwaterplanten zwiepen en zandkorrels knarsen tegen onze handen.  

een bericht van boven
het anker went aan nachtlicht
slaat linksaf de trog in
stort neer op de bodem

Maar wat als, 
wat als we meevaren wat als we proberen wat als we het anker doorsnijden wat als we keren. Als we al wat deden, het liet de pokken koud. 

Het zoog onze armen verder naar beneden. 
We tellen luchtbellen minder, het daalt. 

Het is onrustig op de kade. Slapen en loslaten het is zo over keilen over het laken. Langzaam nam donker het water tot aan je lippen en het was een rustig aflaten, je was gewend geraakt aan de temperatuur van het water. 

Terugtrekken nou, anders worden we allemaal drenkeling. Wiegende handharen komen bevroren boven de waterspiegel. 

Middel. 
Navel.
Borstbeen. 
Keel. 
Kin. 
Neus. 
Ogen. 
Kruin.  

Het anker trok harder,
je was het al vergeten. 

Vertel je ons later wat het was te dragen,
als ook wij onszelf aflaten? 

Eendagsbomen

moeie ranke takken strekken bladerdakken
in briezen korst de kou mijn lippen
rugwaarts tenonder in verse bosbaden

kopje onder zompig mos mag mijn naam bedelven
de haren rechter op mijn arm en nek
onder een gewicht buigen scheuten

tevergeefs, ik wil moe zijn vandaag
wij verliggen temidden wilgenmoeders
waar modder trekt aan mijn middaguren

ik verpot geen spier en ben
met geen spa te scheppen
kom me maar halen daar

waar ik baad wil ik moe zijn vandaag
en streel plots ontsproten alle
vers bebladerde eendagsbomen

Het complot van de koe en de haas

wel waarom
niet zozeer hoe
geeft reden aan haas
gevangen door de koe

hoe de koe een haas vangt is spreekwoordelijk incompleet
alleen een dwaas kijkt een sprintende haas na gegrepen door
denkbeeldige vete in ‘t groen tussen haas en koe
het is natuurlijk duidelijk dat lukt haar niet want

log traag is koe ze kan niet grijpen met staart of rechter voorste hoef
en daarbij overwegend pacifistisch hierover in mijn laatste bundel
voor ik hemels ga vissen leest u de complete lijst

met allerhande fabels die iedereen kan missen de koe en de haas staan
onderaan dit wilde ik even de wereld uit zo hup op een raket in een
baan rond de zon en nu dan toch het waarom

wil ik even met u delen want het gaat toch echt als volgt de koe met
haar hoeven kan krabben aan haar kop toch nooit wordt zij gekrabd tot
helemaal achterop het is daarom dat de koe op zoek is naar verlosser

de haas zal wonen tussen de oren van de koe wanneer ze jeuk voelt die
niet valt te bekrabben sprint de haas naar het einde om die voor
haar op te lossen het is echt zo eenvoudig en ook verscholen

in deze toevoeging aan de lijst vele parallelle universele
levenslessen toch doe ik een oproep op uw intellect
vraag ik u zelf te grijpen naar handvaten om er vanaf te zijn
laat ik het hierbij tot morgen wacht nog even op die bundel

AAN ALLEN DIE HET LEZEN

Goede poetser gevraagd maan- 
daags bij blind maagband schieten te 
ver. Op Goed Geluk. Barblad klein en   
buitenkant glas. Maak doek eigen 
in verband met richtlijnen. 
— Ella 

Stuurgroep MUD snort op centraal
met eigen materiaal, de nodige
koek en warme dranken — wij staan
allen om klokslag zes uur op
hopen hoge opkomst.
— Tom (Mol Uit ‘t Dorp)

Onder genot van Nieuwe Neut kwam tevree
aan heidens karwei een eind. Jan Jaap
Pieter en ook Freek van Slijterij GG
sloegen schandpaal ter hei — bewonder
ze temidden van ‘t Dorpsplein.
— Freek van Slijterij Goed G(en)ieten

Bericht aan moeders welke kinderkarren
rijden — u kunt veilig trottoirs bestijgen.
De eikels uit de bomen vallen vertraagd
getuige cijfers van Erika uit de Boomgaerd.
Calculi bij WABI bekend.
— Erika

Winter sierlijk doch gladde schijn,
ouderen vroeg alert of we starten zonder.
Thermoskannen geschonken door Comithéé
het Oortje wel de kleppen voor eigen
rekening. Neemt allen uw blazers mee.
— Jaap

Voetlezing niets voor u? Loop eens
met Beide Benen en de tenen
door de post. De waarde van uw
landschap — stort binnenins
verloren kind terug ter aarde.
— Connie & Pootje

Uw oproep op het Informatiebord?
Max. 5 regels getypte kopij
aanleveren bij Jannie (nr. 12A)
in stenen postbus everzwijn.
— Jaap

Hoogachtend beplakt,

Werkgroep Adviesorgaan Beheer Informatiebord
(WABI)

— Jannie & Jaap (nr. 12A/B)

Niemand hoeft echt nog veel verder

gestutte slingers stuwen voorhoofden
in ochtenden onder parelende okselhanden
wielen draaien glimmend staal
trap want ze blaast kolkend in richtingen gesloten

zij giert
windt tot
een poort
verorbert

bladzijdes blokken getijdes
grote mensen blaten — ze willen ons
op blz. vijfenzestig regels drie +
vier- en vijftig wijzer

bedingend beurtelings vragen rechts en
ook links waar zijn we gebleven 
is een slaapkamervraag tot de wekker
voordraagt ik weet het
tussen lakens 

afkoelend lauw in pauzes kauwend op stoepranden 
zie de gaatjes ontstaan in mijn hersenkwabben
terwijl de trommel kruimels loost
klingelend staal schuift me terug in lades 

eenmaal los zal helemaal
anders zijn morgen dan beloofd
niemand hoeft echt nog veel verder

het dreigt in te storten tot
het gevallen is 
druk op alle resetknoppen
in een vorm van salaris

Dit huis dus.

Op beeldschermen een uitstrijk van buitenranden. Warmer stappen
in dampende darmen — levensjaren in een honderdtal. Wenk de
splinters uit lange planken, vierkante millimeters strak
trekkende lakken. Haar kappen gelapt, dak in wimpers tot
aan betonnen zolen. Ze heeft die groen omrande ogen
waarop de lieveheren in rode stippen dansen.

Alle deuren open kraken. Meneertje makelaar, hoort ‘t
zo te horen? Jongen — hoor eens goed — want zo,
zo klinkt nou karakter. Woorden kletteren — gerinkel
in biljetten. Plots zo wij en zij blinken,
natte inkt in cijfers letterend.

Ze heeft een nieuwe jas gehad. Haal door het houtje-
geen touwtje. Stalen van vastgegroeide boomschors
schurende vacht — want — die gaan jaren. Volg eens
de verwachting, zegt een aandacht-smerende
anderhalve-meter winkeljuffrouw.

Oprecht — ik mat mooiere vacht,
omdat ‘t inpandig zo lekker rook. Hebben ze je
toch weer kei-hard bij de neus. Zeker in tijden als deze.
We vertrekken contactloos. Plastic gepast
op toonbanken. We betalen vandaag al eeuwen
tweeduizend en twintig.

Wrik aan hoeken van bakstenen koeken,
sop ze schrobbend in grote zwarte teilen — let op,
naadjes kitten dan veilen. Suiker ze terug daar waar
ze horen. Ben geen vakman, er zoet mee.
De vrouw zegt fier: mijn humeur beschadigd
toch je pakt door — krachtig.

Aangrenzend alle hens aan deksels op neuzen — u treft mij
op een meer dan voortuinlijk moment. Toch niet binnen vragen
ook wij — respecteren het er-ie-vee-em. Zij doen hun best toch
kleuren tot-de-nok reikende dozen kamers karton
sur ton. Voorzichtig zak ik onderuit op doorkijk-
bank en -stoelen, in pandemielevertijd.

Langs langere uren scheren we boomtoppen op-
rapen — doen we later. Zet ze in de vazen voor alle
negenenveertig ramen. Voordeuren dragen identieke laarzen,
glimmend groen in verschillende maten. Dubbele gespjes.
Je weet wel, zulke.

Staar door glazen in wapperende vleugelranden op
de handen van buurmannen — waarvan de vrouwen
reiken zo van hier. Ik heb welkom vertaald.
Neem vlijmscherpe taartpunten, prikkend
in je maag.

Wij braaf eten, verdeeld vanuit een vrees
nieuwe deurposten te meten. Zo past het bed ons
beter. Geeft niet we zijn voorgeschreven in
beweging. Pletsen tienduizend stappen
in identieke plassen. We hebben dubbele gespjes.

Meten groei met verborgen kwasten die lange
grijze haren trekken. Zilver is oneindig winnaar.
In binnen en buiten, ijlend over zoete
misselijkmakende binnenste-buitenheid, wentel
in een huis — langs al haar aaiende kanten.

Het is zo’n plek waarin je daags morgen
naden dichtsmeert tegen verveling of de broodjes pinda, of kaas.
Kruip nu in theepotten met goede boeken. Alsjeblieft,
kom ons niet zoeken, we zijn met wikkels
in warme kleden alleen maar
samen hier binnenin — dit huis dus.

Zoals water aan padden trekt

Zoals water
aan padden trekt
kom ik tevoorschijn, als
jouw donkere wolkbreuk
lekt. Geef mij het rollen
van je wangen. Het,
tollen van gedachten gangen
van zaken die we
met vier hersenhelften
stukken beter
lijken te snappen.

Zoals water
aan padden trekt
blijf ik zitten, spring
in inktpotten tot niks
vlekt. Geef me bladeren
van je ongeschreven kanten. Het,
beven van je randen
onderaan watertrappelende
vingers hemelen om
stukken beter
blijven te lijmen.

Een toegift

Na de volgende zinnen
laten we lachend tranen stromen,
voor de mokken en de boeken
voor de voorverwarmde hoeken.

Na de volgende strofe
staan we op tafels en stoelen,
voor de sofa’s en de banken
voor de galm in onze klanken.

Na het volgende nummer
klappen we onze handen tot puin,
voor de vloeren en de muren
voor de rondjes in de tuin.

Na de volgende toegift
rennen we rondjes door de straten,
voor het duizelt voor de ogen
voor we onze binnenkant verloren.

Er loopt een Kees tegen hem

Hij zo rap de Sjaak, want
een tikje nieuwsgierig.
Keek te lang naar buurvrouw,
vond buurman minder plezierig.

Hij geen Jan met de pet,
toch een hele Klaas.
Buurman greep naar de koevoet.
Zo loopt een Kees tegen ’n dwaas.