Het knaagt – Deel 1

Het is warm buiten, we houden onze huizen overdag potdicht. Binnensdeurs zindert het. Zengende hitte zwelt aan, m’n slapen kloppen en zweet gutst langs m’n rug. Bij het typen plakken m’n onderarmen aan de houten keukentafel. De plek waar je mij na vijftien weken dienst al kunt uittekenen tussen negen (oké, half tien) en vijf.

Boven mijn hoofd een zwerm groene glimmende vliegen. Ze zoemen, maar ik hoor ze alleen als de accu van m’n koptelefoon leeg is. Ik ben de enige in de kamer, en hoor ze eigenlijk niet. Zoemen de vliegen dan ook echt? Zo’n gevalletje,’is de boom gevallen, als er niemand in de buurt was?’ maar dat is van een hele andere orde.

Eerder deze week moesten we helaas een overlijden melden. De keukenrat is van ons heen gegaan, en heeft een vaarwel gevonden, in een hoekje onder ons keukenblok. Hij is eenzaam en alleen koud geworden, op een plekje waar we net niet bij kunnen. We hadden hem zo graag opgeschept, en een vredige dienst gegeven. Ik had het juiste lettertype voor de liturgie gevonden. Gisteren alle ingrediënten voor cakebeslag in huis gehaald. Familie was niet te bereiken. Maar geloof me, die zaten volgens mij goed in de rats.

Vorige week wilde ik de rat met diervriendelijke middelen vangen. Een fuik bijvoorbeeld, om hem daarna in de uiterwaarden weer los te laten. Zodat hij daarna met zijn rattennavigatie weer vrolijk kon terug tippelen. Of hem goed toespreken, en de deur openlaten in de nacht. Hopen dat hij uit een soort schaamte netjes z’n knapzakje pakt, en stilletjes de deur sluit. Niets van dit alles leek te werken.

Ik kocht het meest agressieve gif, precies zijn smaak. Ik legde het op de plek waar hij eerder aan onze iets kruimige aardappelen met blanke (witte?) schil begon te snoepen. En man, wat vond ‘ie het lekker. De verpakking beloofde dat de rat zou verteren na meerdere doses tot zich te hebben genomen.

Onze keuken riekt naar een zomerse namiddag in een abattoir. Waar ook nog eens de koeling van is uitgevallen. De lucht zo dik, dat ik er met één arm tegenaan kan leunen. Oké, ietwat overdreven, maar ze staan niet te drammen om dit luchtje in de winkels te krijgen.

Ergens treft niemand blaam. De rat liet zich niet zien, beschermde met huid en haar wat ‘ie had. Niemand zou zo’n geheime schuilplaats van ‘m afpakken. Zo erg meende ‘ie het, dat hij er stilletjes is gestorven. Als een kapitein die ten onder gaat met z’n schip. Zo deed ik hetzelfde. Beschermde wat ik als het mijne beschouwde. Ging het gevecht aan met rat, en won. Hij had het nakijken, in een andere gedaante welteverstaan.

Nu snuif ik enkel nog zijn – op het randje na – vlees geworden presence op. Zo dwaalt zijn geest door ons huis. Mijn geurreceptoren wennen maar niet aan zijn zomerlands’ bouquet. Ergens in mij steekt het. Wie ben ik om te bepalen of meneer de rat z’n laatste aardappel aangevreten heeft? Mij komt toch ook niemand uit m’n huis halen? Ik duld hier ook geen indringers, en er zijn grenzen aan mijn gastvrijheid. Als ik saaier ben, open ik een B&B. Ik pers elke dag verse jus, schil kilo’s iets kruimige aardappels met witte schil. Iedereen is welkom, rat of niet. Ze moeten alleen wel betalen.

Lees verder in Het knaagt – Deel 2