TOT DE WIELEN DE OVERKANT RAKEN 

Schrijf nu toch eens verder aan dat verdomde boek.

— yours truly

Het begin van een verrote dag laait op uit het einde van elke vorige verrote dag. Met een ongeëvenaarde traagheid til ik mijn hoofd van het kussen en tuur naar de ranke takken van de eikenboom waarop een wolk kraaien rust. Met hun koppen diep verstopt onder hun vleugels, rusten ze stokstijf tussen de eikels. De kraaien hebben het goed op maandagochtend. De kraaien hebben het goed op elke ochtend. Rechtop als kaarsen op een altaar, hun veren slijpen aan een scherpe winterwind. Het zal wel iets met het botje in hun oor te maken hebben. Zo zichzelf corrigeren als de luchtbel in een waterpas. 

Nog voor ik de kans krijg de wekker uit te drukken, ritst moeder de warmte van onder mijn deken. Alle wol valt in een vlotte golf op de grond. Met grote passen stampt ze richting de keuken. Opgerold als een pasgeboren woelrat wen ik vanuit mijn krappe kinderbed aan het knipperende peertje. Langs het gordijn zie ik vader gebogen over zijn krant, ellebogen gevlekt door het asgrijze papier. Met de grootste voorzichtigheid opent hij enveloppen terwijl hij slurpt aan een mok oploskoffie. De petroleumkachel in het midden van de vloer pruttelt. De dikke lucht gevangen onder de pannen toch het is te koud om een raam op te zetten deze maand. Het dak kreunt tot in haar nok door een inbeukende westenwind. Vader tilt nog een lading brieven op de eettafel vanaf de versleten vloerdelen onder de keukentafel. 

Moeders voetstappen naderen voor de tweede keer. Met haar struisvogeltred. Met haar hoofd zo recht op haar nek, alsof er een ijzeren pen in haar strottenhoofd steekt. Met haar armen, gekortwiekt tegen haar lijf. Met haar ellebogen in de lucht die ze droog en ijl achter zich laat. Schichtig om zich heen kijken, speuren naar denkbeeldige roofdieren. Ik haar enige ei dat ze tien jaar geleden uit haar schoot liet vallen en nu al lang vergeten is warm te houden. Ik vraag me af of ze weet hoe een omhelzing werkt. Dat gebogen armen mensen naar elkaar toe kan brengen. De laatste keer dat ik haar probeerde te omhelzen was als vastklampen aan een strandpaal. Het soort vol pokken, nat en koud als herfstaarde. 

Moeders voetstappen stoppen net voor het gordijn en ze schuift me een tot de rand toe gevulde emmer toe. De spons tikt zachtjes de randen aan. Mijn ogen wennen aan het licht van een enkele zonnestraal die het water breekt. Aarzelend kijk ik over de rand van mijn bed, tijd om een laagje van mezelf af te wassen. Het water lijkt anders vandaag. ‘Wat gebeurt er Arne? Koudwatervrees? Kom op, stel je niet aan. Over tien minuten ben ik terug.’ Moeder beent de keuken in, zuigend aan een sigaret. 

Voor ik kopje onder ga, kijk ik door het raam. Het uitzicht over lege velden, de rijen huizen met haar mensen als speelgoedsoldaatjes. Pogingen er wat van te maken, breekbaar en klaar om uit elkaar te vallen, op en neer met de bus naar de grote stad. In de avond keren ze terug van de fabrieken, elke dag een stukje doorzichtiger. Hier in Brussels laten we onszelf graag ergens achter. 

Aan de overkant van de straat de kruidenierszaak van Suzy en Bill, waar ik snoep koop met de enkele dollarcenten die overblijven nadat ik duivenvoer gekocht heb. Verderop ligt de garage van Deacon – de laatste stop voor het grote niks – de plek waar ik vorige week nog een aangereden hert vond. Brussels kent verder geen verenigingen. Toch wordt in Al’s kroeg het einde van de week en het aanbreken van een nieuwe gevierd. Ook al zijn ze identiek als de eindes van een worst. Tegen sluitingstijd danst zowat iedereen laveloos op tafel en flikkeren de olielampen op hun laatste druppels. In een dorp wars van regels, vlucht de moraal al gauw een vol glas in. Ik denk niet dat vader en moeder dit weten, maar ik ben er al lang achter waarom het de Amerikaanse droom heet, je moet namelijk slapen om er in te geloven. Zij houden liever in tegenovergestelde richting de moed hoog. Vader praat het liefst over zijn duiven en moeder heeft haar sigaretten, beiden ongefilterd. 

 Moeder roept vanachter het aanrecht, waaraan ze broodtrommels vult voor mij en vader. ‘Ben je al begonnen, Arne? Of moet ik die emmer over je kop legen? Zoals ze dat bij de varkens doen. Arseen, zeg jij er ook eens wat van.’ 

Vader kucht wat letters langs de pijp in zijn mondhoek. Zijn gemompel zacht als de pluimpjes tabaksrook boven zijn hoofd. ‘Nou, je hoort het. Je vader denkt er net zo over. Je komt nog te laat voor school, met dat getreuzel van je.’ 

Met een boogje laat ik me uit bed vallen en schuif in mijn knellende pantoffels. De kou slaat me om het lijf als de wind het gordijn opzij duwt. Slaapdronken schuifel ik naar de emmer met in het midden de tot stilstand gekomen spons. Ze is tot op het laatste gaatje versleten. Het water heeft een lichtbruine kleur, ook al pompt vader het elke dag aan de pomp van de buren omhoog. Eerst het gezicht. Altijd eerst het gezicht. Daarna pas de onderkant. Ik spiek de keuken in en zie vader zijn laatste envelop openen, degene met de stempel van de Post. Hij vouwt het briefpapier open als ware het van het fijnste bladgoud, houdt het als een donzige babyduif in zijn vingers. Zijn handen lijken heviger te trillen na elke letter. 

Even lijkt vader zijn tranen in te houden, waarna hij mijn moeder naar zich toe wuift. ‘Francine! Het wordt de overkant! Pak je spullen en roep Arne, we vertrekken direct. Alles is geregeld!’ Hij stoot zijn koffiemok om en stampt alsof er niet gebeurt is door de lauwe prut. 

Moeders ogen lopen over van verlossing. ‘Eindelijk weg uit dit stinkhol.’ zoals ze onze bovenverdieping zo liefkozend noemt. Met een enkele ruk tilt ze haar koffer vanachter de bank, ingepakt en wel. ‘Wanneer vertrekken we?’, het mes waarmee ze brood smeerde nog in haar hand. Hetzelfde mes waarmee ze vorig jaar nog midden op de Hoofdstraat stond te zwaaien. Daarmee de enige straat van het dorp. Iedereen had haar dus gezien, het was uitermate gênant. Stond ze daar bovenop een vuilniscontainer – midden december – verwensingen richting een waterkoude sterrenhemel te schreeuwen. Moeder temt haar demonen op haar eigen manier: ze duwt ze onder in single malt of laat ze uit in scheldtirades. Andere moeders bakken taart. Nu is de dag waar ze zo driftig op hoopte eindelijk aangebroken. 

Ik staar naar mezelf in het scherpe water en voel mezelf losweken uit Brussels. Uit dit huis. Onwetend over de overkant. Ik plaats mijn handen op de rand van de emmer en ga onder, blijf daar en open mijn ogen naar de binnenkant, tel de bubbels die uit mijn neusgaten omhoog borrelen. Uit wat voelt als een andere tijd en ruimte, word ik terug het droge op gesmeten. Ik lig languit op mijn rug op de houten vloer, mijn wangen gevangen als in de kaken van een krab. Moeder pint me vast en briest in mijn gezicht. Een teug lucht spert mijn longen open, die als twee warmwaterkruiken opgeblazen worden. Langzaam, pijnlijk. Er was stilte op de bodem. 

‘Wilde jij hier nog even het loodje leggen misschien? Wat bezielt jou?’ Moeder staat over me heen gebogen, ik vleugellam tussen haar benen. Achter haar haren, dun als vlas, ligt een rij doffe tanden verscholen, resten mueslireep in de gaten. Ze verslapt langzaamaan haar grip. ‘Jij gaat dit niet verpesten voor mij, knoop dat maar in je oren.’ Ze verdwijnt tussen de gordijnhelften, die ze bijna van de reling trekt. In de woonkamer hoor ik haar wat prevelen over de inrichting van onze nieuwe huis. We laten het merendeel van onze spullen namelijk achter. Los van blikvoer, boeken en kleding, is leegte toch het eenvoudigste te verhuizen. Het woont in een mensenhart. De vraag of het zich ooit weer volzuigt, is iets anders. Uit de kast pak ik de de zwarte broek en zwarte trui die klaarliggen voor de verhuisdag. Mijn nette zondagse sokken en zelfs mijn jasje hangt al klaar. Nooit een tweede kans om een eerste indruk te maken. Het is niet zomaar dat een familie door de Post naar de beloofde overkant gestuurd wordt. Zeker niet uit deze streek. 

Ik schrik op als ik een hand voel. De geur van vanilletabak in de afdruk op mijn schouder. ‘Aan de overkant wordt alles anders, jongen. Geloof me. Je moeder vindt het ook spannend. Wij Molenaars zullen de wereld sluiten de wereld aan. Het is onze roeping.’ Ik haal mijn schouders op en sluit mijn koffer. Met de riem strak om het midden, is het praktisch uitgesloten dat mijn postkaarten in het ruim van het vliegtuig zullen rondzwerven. 

Bij het zien van het weinige wat ons samen doet klonten woelt een draaikolk in mijn binnenkant. Gek hoe alles wat er toe doet tot drie middenformaat reiskoffers gereduceerd kan worden, de handen die ze tillen en de daaraan grenzende lijven die ze dragen. Vader wrijft me door mijn krullen en moeder wappert sigarettenlucht bij haar gezicht vandaan met de vergeelde brochure. Het soort met schreeuwerige verkoopletters op de voorkant. 

WELKOM IN WELLENBERGSCHEM 

PAREL VAN WEST-VLAANDEREN 

PROBEER ZEKER EENS ONZE BLOEDWORST 

Aan het zelfvertrouwen zal het niet liggen. Toch, dierenleed promoten in een slagzin, is andere koek. Worst, welteverstaan. Onder de leus prijkt een foto van geheimzinnig lachende mannen en vrouwen met half volle bierglazen in hun hand, fier overeind op een rijtje voor een immense papier-maché praalwagen in de vorm van een machtig grijze postduif. Op tractorbanden, welteverstaan. De verentooi op hun hoofd – wazig op beeld gevangen – wappert in de wind. Achter de groep lachebekken vervagen de eindeloze bloemenperken in de achtergrond. Als waterverf in een van moeders aquarellen. Ik weet niet hoe het gesteld is met de moderne techniek in België, maar dit ruikt naar een knap staaltje fotobewerking. Met alleszins meer kleur dan alle kale velden rond Brussels samen. Vader schraapt zijn keel en slikt wat tranen weg. 

‘Die duif gaat ons redden, jongen. Ik voel het gewoon. Je denkt dat pindakaas en jam het einde is, wacht maar. Vanaf morgen smeren we alleen nog maar chocopasta.’ Vader gebaart naar de trap en met z’n drieën dalen we de krakende treden af. Dwars door het postkantoor van Brussels – de sorteermachine in ruste – stil zijn al haar raderen. Vader graait in de binnenzak van zijn jasje en steekt mij mijn vliegticket toe. 

‘Hier jongen, goed vasthouden. Let er op. En altijd netjes laten zien als iemand er naar vraagt. Je mag het pas wegstoppen als de wielen van het vliegtuig Vlaanderen raken.’